Recensies

  • Apollo in de sneeuw, een keuze uit de gedichten 1962-1996

    Alexander Koesjner
    Apollo in de sneeuw, een keuze uit de gedichten 1962-1996

    Tegenpolen

    Vrijwel tegelijkertijd zijn er twee vertalingen verschenen van twee van de belangrijkste nog levende Russische dichters. Alexander Koesjner (1936) en Lev Rubinstein (1947) behoren tot de oudere generatie. Beiden zijn joods, maar daarmee houden de overeenkomsten wel op. Dat is al meteen aan hun foto’s te zien: Koesjner bijna altijd keurig geschoren en in het pak, Rubinstein met een rond metalen brilletje, kort geschoren haar (of juist tamelijk lang haar op oudere foto’s), een baard van twee weken, in een leren jack.

    Alexander Koesjner is geboren in Leningrad, waar hij net als zijn vriend Brodsky behoorde tot de kring jonge dichters die de beroemde Anna Achmatova om zich heen verzamelde. Veel meer dan Brodsky is hij door Achmatova beïnvloed, je zou hem de laatste acmeïst – de Russische neoclassicisten – kunnen noemen. Koesjners poëzie bestaat net als het vroege werk van zijn grote voorbeeld uit vrij korte, vorm- vaste gedichten, vol gedetailleerde observaties van op zich onbeduidende zaken die aan het slot een bijzondere lading krijgen, vaak betrekking hebbend op liefde of dood.




     

    Zandkorrels, steentjes, half verteerde reepjes rubber,
    Een enkel plankje, spaanders en gebroken glas,
    Een bandenspoor in grijze, hard geworden blubber,
    ’t Gekruisigde restant van wat eens kikker was,
    Gelijkend op een uit elkaar geknalde kinder-
    Ballon, een hoopje aarde, scheuren, dan een kuil,
    Vlak bij de spaken het gefladder van een vlinder,
    Een heuvel op en dan weer af, het is hier steil,

     

    Zo begint een naamloos gedicht dat op het eerste gezicht over een fietstocht gaat, maar in wezen gewijd is aan een verbroken, of nooit tot stand gekomen relatie, waaraan in enkele terloopse regels wordt gerefereerd: ‘Toen ze me gister vroeg om bij haar langs te komen,/ had ik dat moeten doen, wat korstmos en een tak,/ Daarna heb ik weer spijt, een kever, kalk, een slak,’ en verder gaat het met het bezingen van ‘de ongekende schoonheid van dit landschap van Cézanne’.

    Fraai is ook het titelgedicht, ‘Apollo in sneeuw’ waarin een besneeuwd Apollobeeld (‘een Apollo met een witte pet’) een symbool is voor de toestand van de kunsten ter plaatse: ‘Hier is zijn meest vooruitgeschoven post,/ De verste grens tot waar zijn invloed reikt.’ En even verderop: ‘Hier kreunt het zwakke steunen van de lier/ Tot het verstomt, niet tegen sneeuw bestand.’ Maar hoe meer pijn en moeite het lied Apollo kost, hoe zoeter het klinkt: ‘Ja, dit is moed, een sneeuwstorm, een gevecht,/ Dit is een vers in rillingen gekleed.’ Hoe harder de omstandigheden, hoe mooier het kunstwerk. Een argument dat Russen graag aanvoeren om hun superioriteit over mensen uit het Westen, ‘die niets hebben meegemaakt’, te bewijzen.

    Met Lev Rubinstein zitten we midden in de underground van de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. Hij was er een van de voormannen van en heeft aan de wieg gestaan van het Russische conceptualisme, dat kritisch stond tegenover de Sovjetmaatschappij, maar gaf die kritiek in tegenstelling tot de meeste dissidenten op een speelse, humoristische wijze vorm. Behalve dichter is hij ook een begaafd performer van eigen werk en zanger van oude Sovjetschlagers.

    Verder en verder is eigenlijk geen dichtbundel, er zijn een aantal teksten in gebundeld die elk bestaan uit een grote hoeveelheid genummerde fragmenten. Uit het informatieve voorwoord leren we dat Rubinstein beroemd werd door zijn ‘kaartvoordrachten’. Bij het voorlezen van zijn teksten gebruikte hij genummerde cataloguskaarten met daarop allerlei zinnen, fragmenten die zo uit het dagelijks leven leken geplukt en die hij zodanig wist te rangschikken dat er een fascinerend geheel uit ontstond. Het resultaat doet soms denken aan Beckett, alleen is het aantal stemmen bij Rubinstein onbepaald. Geraffineerd wordt gebruik gemaakt van herhalingen, Rubinstein is niet voor niets een bewonderaar van minimal music. Zo in de ‘titeltekst’ ‘Verder en verder’ waar ‘we gaan verder’ in allerlei verschijningsvormen


    1      Hier vangt alles aan.

            Het begin van alle dingen is hier.
            Toch gaan we verder. 

    2     Hier vraagt men niet wie u bent en waar u vandaan komt.

            Het is immers duidelijk.

            Dit is dé plaats waar u geen last heeft van opdringerige vragen. 
            Maar we gaan verder. 


     

    de rol van een soort refrein speelt. Hier het begin: ‘Mama lapte het raam’ lijkt te beginnen als een serie losse zinnen die uit een ouderwetse taalcursus afkomstig lijken: ‘1 Mama lapte het raam. 2 Papa heeft een televisie gekocht. 3 Het waaide’ Maar die zinnen blijken op den duur toch samen te hangen en het verhaal te vertellen van een jeugdervaring.

    Het procedé dat Rubinstein hier hanteert is gevaarlijk, dit soort absurdisme wordt al gauw melig of vervelend. Maar Rubinstein doet het met meesterhand, en zelfs als het melig dreigt te worden (‘63 Sasja Smirnov had de gewoonte om in huis te ruften. 64 Je hoorde niks maar het stonk behoorlijk. 65 Hij gaf nooit toe dat hij het was.’), dan is het in de gegeven context een zinvol detail.

    De vertalingen zijn bijzonder goed. Metrum en rijm bij Koesjner stromen bijna even vloeiend als in het Russisch, zonder dat er aan de inhoud afbreuk is gedaan, en de achteloze spreektaal van Rubinstein is in het Nederlands even beknopt, pregnant en geestig als in het origineel. Ze bewijzen waartoe poëzievertalers in staat zijn, mits liefde hen drijft.

    UitgeverKoppernik
    Jaartal2017
    RecensentArthur Langeveld
    Editie2017-3