Recensies

  • Zonder titel zonder jaar

    Nicolaas Matsier
    Zonder titel zonder jaar

    Opvolger scheert voorganger

    Jaren geleden, misschien wel meer dan twintig jaar her, hoorde ik prozaschrijver Nicolaas Matsier eens in het onvolprezen VPRO-interviewprogramma De ochtenden (urenlange onbekorte interviews), haast beschroomd zeggen dat hij graag eens een dichtbundel zou schrijven. Mijn nieuwsgierigheid was direct gewekt: wat zou hij in de poëzie zien dat hij niet in zijn heldere, precieze, verlichte proza kwijt kon? Gestamel? Lyriek? Ondoorgrondelijke gedachten? Die bundel is er inmiddels, paradoxaal getiteld Zonder titel zonder jaar, om maar aan te geven dat het een enigszins asymptotisch product wil zijn, naamloos en van alle tijden.

    In het openingsgedicht ‘Ianus’ refereert Matsier even aan zijn rol als zij-instromer in de poëzie, althans de regels ‘Wij zijn maar op bezoek/ en hebben ons boeket/ mooi in een vaas gezet’ lees ik poëticaal, dit is een dichterlijk uitstapje. Maar verder dicht hij redelijk onbekommerd en ook bepaald niet onwennig. Waar gaat het over? (Gaat poëzie ergens over? Nou, déze in elk geval wel.) Over het leven, of preciezer gezegd, over het verglijden van het leven; je zou ‘panta rhei’ de hoofdgedachte kunnen noemen. Niks nieuws en niks bijzonders dus. En hij doet er ook niet bijzonder lyrisch of onthutst over. Eerder brengt hij een soort bewustwording in kaart die denk ik net zo goed in proza had kunnen worden gevat, maar die zich hier nu eenmaal in poëzie manifesteert. Geen prozaïst dus die de poëzie reserveert voor heel andere kanten van zijn persoonlijkheid.

    Een geheimzinnig dichter is Matsier niet. Je kunt hem als het ware met de vinger bij de tekst volgen. Gedichten over vergankelijkheid in soorten en maten, nogal wat rivieren die stromen en nooit stilstaan, de natuur die groeit en bloeit en weer ondergaat, de gelijktijdigheid van alles. Zo’n gedicht als ‘Bedding’ over water dat voor het eerst de bedding betreedt, is karakteristiek: ‘verrast volgt zij haar bedding de rivier./ Zij stroomt hier voor het eerst’. Het is eigenlijk verbazingwekkender dat Matsier zo’n uitgekauwd onderwerp bij de kop durft te nemen, maar het ís dan ook wel wat, als je erbij stilstaat: de tijd die verglijdt. De dichter voelt het overal: ‘zelfs de draad/ splinternieuw garen// dat je haalt door het oog/ van de naald doet het./ Slijten, meteen al.’ En ook als hij zich scheert, komt de universele stroom van Heraclitus onverbiddelijk langs: 

    Elke baard is de laatste baard

    wie zich scheert ziet bijna niets
    hij kijkt naar het verdwijnen
    en beluistert het bijbehorend zoemen
     
    nooit heb ik hetzelfde gezicht geschoren
    het is de opvolger die de voorganger scheert.


    Opvallend is het ontbreken van weemoed om al dat vergane en vergankelijke, ieder sentiment is uitgebannen of in elk geval gesublimeerd. Dat geeft deze gedichten een eigen, ik wil niet zeggen zakelijke, maar wel filosofische uitstraling. Geen wonder dat Matsier een gedicht schrijft over de eindeloze dagboekschrijver Henri-Fréderic Amiel, die zijn hele leven droog en feitelijk noteerde tot de laatste snik aan toe: inventariseren meer dan sentimentaliseren. Toch gaan er in Matsiers (en Amiels en die van u en mij) gedachten over tijd en vergankelijkheid gigantische kwesties en vragen schuil, zoals in het gedicht ‘Tijdgenoot’ waarin de vraag gesteld wordt of god een tijdgenoot is, en je kinderen en dus ‘ook de kleine spin/ die ik zojuist naar buiten bracht’. Veelzeggend detail trouwens: die naar buiten gebrachte spin, je bespeurt volkomen impliciet en onuitgesproken een verlangen naar boeddhistisch welbevinden in Zonder titel zonder jaar: opgaan in het niets, misschien is dat bij alle tijd- en plaatsgebondenheid wel het hoogste goed.

    Matsiers eersteling is er een om in rond te dwalen, niet zozeer in de gedichten zelf als wel in de gedachten die deze gedichten bij je oproepen. Alles wat hier staat, roert namelijk op een of andere manier algemeen menselijke vraagstukken aan. Het zet je aan het denken, niet over iets nieuws maar over de eeuwenoude vragen van het bestaan. Het herinnert aan de oude Griekse natuurfilosofen en hun verlangen om de raadsels van het heelal, de aarde en de natuur op te lossen. Het is daarmee in zekere zin ook een heidense bundel, van vóór de natuurkundige dan wel christelijke antwoorden van onze beschaving. Ik zie vooral een zeventigjarige jongen in bed liggen, nadenkend over tijd en eeuwigheid.

    De mooiste gedichten zijn misschien die over al die doelgerichte wezens die de denker omringen en tot voorbeeld strekken, over de haas die als een speer door het land rent, maar waarheen? De jogger die blijft joggen, de onvermoeibare zwemmer: zij allen lijken van existentiële bespiegelingen geen last te hebben. Het lijkt de ideale staat die de eenzelvige peinzer slechts met moeite bereikt. Voor hem is er het Miserere van Allegri, gezongen in ‘de dienst der duisternis’ maar vol ‘goedertierenheid’ en ‘mededogen’. Alles eigenlijk heel eenvoudig en primair maar precies zoals het is.
    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2017
    RecensentRob Schouten
    Editie2018-1