Poëzie Live

Awater is meer dan een tijdschrift. We staan met regelmaat op literaire festivals, in boekwinkels en elders op een podium met een poezieprogramma: Awater Live. Hier lees je de verslagen van eerdere edities, vaak met luisterfragmenten.
Daarnaast zoeken we de poëzie op door festivals in het hele land te bezoeken: met een stand of als bezoeker, zoals Poetry International, De Nacht van de Poëzie of Dichters in de Prinsentuin. Hiervan doen we op deze plek ook verslag.

  • Watou,15 juli-30 augustus 2026

    23 september 2026
    Watou,15 juli-30 augustus 2026
    Terwijl de eerste berichten over de volgende editie alweer via de sociale media gedeeld worden, denk ik nog na over wat ik van de door Danielle van Zuijlen en Bart Lodewijks (beeldende kunst) en Michaël Vandebril (poëzie) gecureerde versie van Kunstenfestival Watou van dit jaar vind (of is het vond). Want deze editie viel me eerlijk gezegd niet mee. En ik wil weten waar de weeffout zit.


    Liliane Waanders

    Gemene wegen: dat was dit jaar het thema. Het verwijst naar de Gemenestraat/Chemin Mitoyen, de weg waar België en Frankrijk – Watou ligt op die grens – elkaar raken. De weg wordt door founding father Gwy Mandelinck genoemd in zijn Dat was Watou en daar is het door een van de curatoren van dit jaar opgepikt. Maar ‘gemene wegen’ verwijst ook naar het collectieve en het gemeenschappelijke. Naar gezamenlijk gebruik en gedeelde verantwoordelijkheden.

    Het dorp doet mee

    Op dat collectieve en gemeenschappelijke lag dit jaar veel nadruk. Kunstenfestival Watou verbond zich dit jaar op meer dan een manier met de mensen van Watou. Een vertegenwoordiging van de inwoners van het dorp – de gemene raad – mocht in de aanloop naar het festival meedenken en meebeslissen, er was werk van amateur-kunstenaars te zien in het hoofdprogramma en ANT Collective, dat op drie locaties installaties maakte, vroeg de plaatselijke bevolking om voorwerpen te doneren die zij integreerden in hun totaalkunstwerken.

    Daarmee kwam het festival Watou tegemoet. Ik herinner mij de kritische geluiden die in 2024 klonken tijdens de apocriefe tentoonstelling T(h)ree in de feestzaal achter Gasthof De Eendracht. Wat daarvan bij mij bleef hangen, was dat ze in het dorp het gevoel hadden dat het festival zich Watou in toenemende mate toe-eigende. Dat het draagvlak voor het festival daardoor wel eens in gevaar kon komen.

    Wat mij betreft is de balans dit jaar een beetje te ver doorgeslagen richting de participatie. Niet elke keuze pakte even gelukkig uit, niet alle nijverheid verdiende het om kunst genoemd te worden.

    Kunstenaarscollectieven

    Collectieven waren de norm in Watou dit jaar. Een erfenis waar curatoren Danielle van Zuijlen en Bart Lodewijks mee moesten zien te dealen. Niet alleen was de keuze voor het collectieve al gemaakt, er waren ook al zeven collectieven geselecteerd toen zij aantraden.
    Terwijl de kracht van het Kunstenfestival interactie is, of wat mij betreft zou moeten zijn – van oorsprong stond de poëzie centraal, maar al heel lang gaat het om de organische verbinding tussen locatie, beeldende kunst en poëzie – leverde het op voorhand gezamenlijk optrekken niet per se betere resultaten op.

    Wat ik bij de meeste projecten miste, was de meerwaarde van het daar op dat moment. Het optimaal gebruikmaken van de omstandigheden ter plekke. Het gevoel dat een kunstwerk juist daar tot zijn recht komt.

    Tot zover wat mij betreft de weeffouten. Want er waren uitzonderingen.

    Wat wel werkte

    Om er maar meteen een paar te noemen. Een van de hoogtepunten, of misschien wel het hoogtepunt allatie – niet voor het festival gemaakt, maar wel duidelijk gelinkt aan de omgeving – was de installatie Between the Lines van Marjolijn Dijkman, met muziek van Henry Vega.


    In een van de schuren van de Douviehoeve klonk aanhoudend gehamer en getik, terwijl op het scherm een door de letterzetterkever aangetast bos in de Rode Zone – strijdtoneel tijdens de Grote Oorlog, de sporen van de loopgraven zijn nog te zien, het bos is op kosten van de Duitsers aangeplant; zo werd voorkomen dat mensen het ernstig vervuilde gebied dat nog vol ligt met niet ontplofte munitie zouden betreden. In dat tikken op stammen kun je van alles horen: marsmuziek, morseseinen, de kevers en spechten.
    Het gedicht ‘Daarom’ van Charles Ducal – op een weinig prominente plek opgehangen – versterkte het werk en dat gold omgekeerd ook.

    Ook overtuigend was het werk van Studio Artîlerie, de artistieke werkplaats van de Lovie, dat dit jaar in het kader van de participatie in het kasteel zelf te zien was. Met name de textielinstallatie van Nadia Van Lancker viel op. Zij verbeeldde haar afstand en toenadering tot anderen in drie fases van haar leven. Aan het plafond hingen drie beweegbare cocons van verschillende grootte, die haar staat van zijn in die drie fases van haar leven verbeelden.



    Ook het derde deel van wat je een drieluik zou kunnen noemen van Motus Mori Institutum verdiende het om ondergaan te worden. Wat Motus Mori-choreografe Katja Heitmann met haar meerjarige kunstproject beoogt is een bewegingsarchief aanleggen. Zij verzamelt en documenteert bewegingen. Voor Kunstenfestival Watou ging ze onder andere in gesprek met de bewoners van de Lovie. Hun op hologrammen gelijkende beeltenissen bewogen zich door de ruimte, waarbij steeds een verhaal uitgelicht werd. Een verhaal over hoe aan hun bewegen af te lezen is wat zij meegemaakt hebben.

    En de poëzie

    Tijdens de vier dagen dat ik door het dorp en de omgeving wandelde en fietste vond ik dat de poëzie stiefmoederlijk bedeeld werd. De meeste gedichten waren uitgeprint – weliswaar op groot formaat – maar niet nadrukkelijk vormgegeven. Poëziecurator Michaël Vandebril koos bij het koppelen van gedichten aan kunstwerken bovendien opvallend vaak voor al bestaande gedichten, omdat hij niet het risico wilde lopen dat de dichters met in opdracht gemaakte poëzie de plank mis zouden slaan. Wat mij betreft een laakbare aanname, getuige het speciaal voor het festival geschreven gedicht van Ruth Lasters, dat aan de gevel van het in de steigers staande Kasteel De Lovie hing, de gedichtencyclus van Rosalie Hirsch bij de installatie Sonic Cheese x Atmospheric Terroir en het gedicht van Bernke Klein Zandvoort, onderdeel van de installatie Trembling Communities, dat onder de glas-in-loodramen in de kleine kapel op het terrein van De Lovie was aangebracht.



    En natuurlijk waren er de voordrachten. Verdeeld over de zes weken dat je het Kunstenfestival Watou kon bezoeken, maakten vele festivaldichters hun opwachting. Ik hoorde Stefan Hertmans en Marc Reugebrink hun bundel Met of zonder ons integraal voorlezen in de Parochiezaal.

    En dan moesten we ons als festivalbezoekers ook nog verhouden tot Woutje, de (kunst)matig intelligente dichter, die op basis van de gedichten die hij gevoerd kreeg – in de eerste weken van het festival nam hij alle in de loop der jaren in de festivalcatalogi gepubliceerde gedichten tot zich: 1252 in totaal – een dappere poging deed om zich als dichter te manifesteren.



    De vraag aan de bezoekers was niet: welke van de drie geprojecteerde gedichten is van Woutje, maar: welk van de drie gedichten spreekt u het meest aan. Want het ging Maud Vanhauwaert c.s. niet om de parate poëziekennis van de bezoekers, maar om de vraag of de waardering voor een gedicht beïnvloed wordt door kennis over degene die het geschreven/vervaardigd heeft. Aan het eind van het festival werden de resten van Woutje – de harde schijf werd door een heuse beul in stukken gehakt – aan de schandpaal op de markt van Watou gespijkerd. De weegschaal sloeg uiteindelijk dus toch door in het nadeel van Woutje.

    Een wat mager jaar

    Er was natuurlijk meer de moeite van het bekijken en lezen waard dan alleen de hoogtepunten. Ik vond ondanks de theoretisch-politieke insteek every day words disappear | Michael Hardt on the Politics of Love, het indringende en bij vlagen aangrijpende filmessay van Johan Grimonprez, die wat literatuurwetenschapper en marxistische theoreticus Michael Hardt vindt doorsnijdt met scénes uit de film Alphaville van Jean-Luc Godard, een waardevolle bijdrage aan het scheppen van een kader waarbinnen de ‘gemene wegen’ geplaatst dienden te worden.

    En wat te zeggen van een werk dat te omvangrijk is om tijdens het festival volledig te consumeren, zoals de onontkoombare presentatie van Res Nullius, waarin Wim Cuyvers zich om beeld en tekst verhoudt tot het landschap (Le Montavoies) waar hij neergestreken is.

    every day words disappear | Michael Hardt on the Politics of Love


    Op naar 2027

    Maar al met al was het een mager jaar. Wat node werd gemist – althans door mij – was de poëzieroute en het gebruik van de buitenruimte in het dorp zelf. Dit jaar geen verrassend poëtische inzichten op plekken die het verdienen om even van de fiets te stappen, en geen speelse kunstwerken op locaties die zich daarvoor lenen.

    Michaël Vandebril stopt na vier jaar als poëziecurator. Hij wordt opgevolgd door literair-journalist Jelle van Riet. Voor Danielle van Zuijlen en Bart Lodewijks houdt het curatorschap al na een jaar op. Volgend jaar is A.F.VANDEVORST – of zijn want achter die naam gaan twee mensen schuil: An Vandevorst en Filip Arickx – verantwoordelijk voor de beeldende kunst.

    De gemeente Popperinge staat financieel garant voor de volgende editie, maar de curatoren zullen er een harde dobber aan hebben om Kunstenfestival Watou terug op de kaart te zetten – er kwamen dit jaar vijftienduizend mensen kijken, dat waren er vijfduizend minder dan de laatste volwaardige editie in 2024 - en de mensen van Watou te vriend te houden – want ook dit jaar rommelde het achter de schermen.