Awater is meer dan een tijdschrift. We staan met regelmaat op literaire festivals, in boekwinkels en elders op een podium met een poezieprogramma: Awater Live. Hier lees je de verslagen van eerdere edities, vaak met luisterfragmenten. Daarnaast zoeken we de poëzie op door festivals in het hele land te bezoeken: met een stand of als bezoeker, zoals Poetry International, De Nacht van de Poëzie of Dichters in de Prinsentuin. Hiervan doen we op deze plek ook verslag.
Awater Live in Leeszaal Rotterdam West
4 juli 2025
Awater Live: Rotterdam, Leeszaal West, 4 juli 2025
In Leeszaal Rotterdam West vierde Awater het verschijnen van het zomernummer. Met een eerbetoon aan Esther Jansma, interviews met en voordrachten van Sophia Blyden en Dean Bowen en een heuse ‘AI of nie’-quiz bevatte het programma een dwarsdoorsnede van het nummer. De presentatie was in handen van hoofdredacteur Myrte Leffring.
Tekst, foto's en geluidsopnamen: Liliane Waanders
Een eerbetoon aan Esther Jansma
Op 23 januari jl. overleed Esther Jansma. Haar meest recente bundel We moeten ‘misschien’ blijven denken werd door de Clubkeuzecommissie – dit keer bestaande uit Alexis de Roode en Myrte Leffring - tot Poëzieclubkeuze gekozen. ‘In dit kleine sluitstuk op Jansma’s oeuvre staan diverse allusies op eerder werk en eindigt ze strijdbaar. Op ontroerende wijze bewijst ze opnieuw haar vakmanschap als dichter. Een aantal gedichten kunnen we direct als instant klassiekers benoemen, het slotgedicht ‘Word’ bijvoorbeeld: prachtig ritmisch, een subliem gebruik van klank, sensitivistisch en treffend:
overal schuilen mensen en iemand loopt door de tijd die al bijna verdwenen is koud watergetokkel op het gezicht
Het is dichters gegeven: verdwijnen en toch blijven.’
Om de keuze te onderstrepen en bij wijze van extra eerbetoon aan Esther Jansma – in het nummer staat een in memoriam van Hanneke van Eijken – las Myrte Leffring een aantal gedichten uit We moeten ‘misschien’ blijven denken.
Sophia Blyden
Voor het zomernummer interviewde Sophia Blyden haar voorbeeld: generatiegenoot Dean Bowen. Beiden waren te gast tijdens Awater Live, maar dit keer was het hoofdredacteur Myrte Leffring die de vragen stelde. Eerst aan Sophia en daarna aan Dean.
In haar debuutbundel Dobberen onderzoekt de dichter, die zich laat inspireren door sprookjes, mythen en de popcultuur, de tussenruimte tussen meisje en moeder. Dat doet ze zonder AI te gebruiken. ‘Dan maak ik mezelf nutteloos. Je moet zelf al heel veel informatie geven, wil AI er iets fatsoenlijks van maken. En je moet ook een vergevorderd prompter zijn om acceptabele resultaten te genereren.’
Of Sophia Blyden schrijven een eenzame bezigheid vindt, wilde Myrte Leffring weten. ‘Nee, maar ik doe het ook wel tussen van alles door. Of in de trein. In publieke ruimtes. Ik vind het niet heel eenzaam, en – en dat was ook wel een van de redenen dat ik Dean wilde interviewen – voor mijn generatie voelen andere dichters ook als collega’s. Collega’s die je vaak tegenkomt, en dat is heel gezellig en helemaal niet eenzaam. Ik heb wel een keer voor het archipelproject van Uitgeverij Het Moet vierentwintig uur op een onbewoond eiland gezeten en dat vond ik echt verschrikkelijk.’
Myrte Leffring: ‘Je hebt Moderne Letterkunde gestudeerd in Leiden: kun je dan als behorend tot de nieuwe generatie dichters al zien dat er zich iets van een stroming aan het ontwikkelen is?’ Sophia Blyden: ‘Ik zie dat meertaligheid in de poëzie steeds meer ingevoerd raakt. Ik heb wel het idee dat dat kan, mag en gewaardeerd wordt.’
Myrte Leffring: ‘Je leest ook veel proza: doet dat iets met je poëzie?’ Sophia Blyden: ‘Als ik proza lees, is dat vaak voor mijn werk of voor een interview dat ik voorbereid, dus dan lees ik heel gericht om te kijken hoe ik een goed gesprek kan opzetten. En als ik voor mijn plezier lees, dan probeer ik niet bezig te zijn met de vraag wat ik er zelf mee kan, maar van de taal te genieten. Ik denk niet dat ik veel uit proza haal voor mijn eigen poëzie, daarvoor zijn de gesprekken die ik hoor op straat belangrijker. Of andersmans poëzie.’
Inmiddels werkt Sophia Blyden zelf aan een roman. Het is de bedoeling dat die in 2027 verschijnt.
Dean Bowen
Hoewel poëzie op zichzelf bestaansrecht heeft en niet per se een representatie van de maker of een call to action hoeft te zijn, is de poëzie van Dean Bowen niet boodschaploos. ‘Ik vind het problematisch als we van schrijvers met wat voor achtergrond dan ook verwachten dat zij die cultuur/groep vertegenwoordigen. Alsof de ervaring van een lid van een groep kan staan voor de beleving van andere leden, laat staan de hele groep. Identiteit is maar een van de dingen die een dichter maken. Ik heb zelf absoluut de behoefte om mijn politieke denken een plek te geven in mijn artistieke werk, maar ik wil het nooit tot een verplichting maken. Maar het is natuurlijk ook zo dat een gedicht van mij altijd een zwart gedicht zal zijn.’
Myrte Leffring: ‘Als je gedichten leest waarin alleen de Nederlandse taal gebruikt wordt, mis jij dan de meertaligheid?’ Dean Bowen: ‘Ik ben zelf tweetalig opgevoed, maar als millennial ben ik net als alle dichters van mijn generatie een kind van het internet. En de taal van het internet in Nederland is Engels. En die talige werkelijkheid vindt uiteindelijk altijd een weg naar het werk van deze generatie dichters. We moeten dat niet uit de weg gaan: taal is een dynamisch organisme, het is onderhevig aan verandering. En als die verandering betekent dat er andere talen de Nederlandse poëzie binnenkomen, dan is dat zo. Daarnaast zijn er meer mensen die in verschillende talen leven, door een migratieachtergrond, door het internet, doordat ze in een grote stad wonen.’
‘Elke taal kent zijn eigen soort bewustzijn, maar het bewustzijn dat jij in je draagt, ligt ergens tussen de talen die je spreekt. Dus waarom zou je daar niet eerlijk over zijn, en dat bewustzijn niet proberen te vangen. Als de consequentie is dat een deel van je werk dan niet voor iedereen toegankelijk is, dan is dat de realiteit. Maar de realiteit is ook dat zelfs als je alleen in het Nederlands dicht (een deel van) je werk niet voor iedereen toegankelijk is. Als ik meertaligheid in een gedicht zou missen, dan zou dat impliceren dat ik alleen naar dat soort poëzie op zoek ben. En dat is niet zo. Ik ben gevoelig voor de aanwezigheid van schone taal, maar hoe die taal vervolgens is vormgegeven, dat is een zaak voor de dichter zelf.’
Myrte Leffring: ‘Naast meertaligheid is lichamelijkheid een thema in je werk. Komt dat thema ook terug in je nieuwe bundel masc;r?’ Dean Bowen: ‘Ik heb de behoefte om grip te krijgen op wat contemporaine masculiniteit is. Het idee van mannelijkheid is terecht geproblematiseerd, ik denk alleen dat er heel weinig positieve verbeeldingskracht is om over alternatieven na te denken. En dat is wel nodig. Het is onverantwoordelijk om tegen een dertienjarig te zeggen: “Alles wat je hebt geleerd over de presentatie van mannelijkheid, daar willen we vanaf, maar wat het wel moet zijn, dat is nu jouw probleem.” Ik maak me geen illusie dat ik die dertienjarige ga redden met een dichtbundel, maar ik wil wel op mijn manier, in mijn vorm iets doen met die vragen. Dus het is een verkenning van die masculiniteit, en daar is het lichaam een onderdeel van.’
‘In mijn nieuwe bundel zullen verschillende stemmen aan het woord zijn, ook stemmen met abjecte overtuigingen. Ik wil niet doen alsof ik weet wat het precies moet zijn, maar ik wil laten zien wat er allemaal aan de orde komt in de conversatie rondom die masculiniteit. Daar wil ik in mijn bundel een plek voor vrijmaken. masc;r wordt een bundel zonder witregels. Het wordt een soort brutalistische, maximalistische blokkentekst. Geen hoofdletters. Het idee is dat het leest als één werk, één gedicht.’
AI of nie?
Het voorbereiden van de quiz had hem niet alleen hoofdbrekens gekost, maar ook zijn ziel leed eronder. ‘Als ik een AI-gegeneerd gedicht gemaakt had, moest ik daar een avond van bijkomen. Ik kreeg echt de neiging om het maken van een volgende quizvraag steeds maar uit te stellen.’ Awater vroeg dichter/vertaler Bas Belleman niet alleen om in een artikel in het zomernummer te reflecteren op de mogelijke invloed van AI op de poëzie, maar ook om een quiz te maken bestaande uit tien ‘echte’ en tien met AI gegeneerde gedichten. Aan het publiek in Leeszaal Rotterdam West om het werk van ware dichters te onderscheiden van dat van een machine.
‘Zou dat publiek het na een vraag of wat niet zat zijn?’ vroeg de quizmaster – voor de gelegenheid in goud gekleed - zich af. Niets bleek minder waar. Twintig vragen lang deed het publiek geanimeerd mee. Zichzelf soms voor het hoofd slaand als ze het werk van een dichter niet herkenden of zich toch door AI in de luren hadden laten leggen.
Het goede antwoord achterhalen was niet alleen een kwestie van goed lezen. Goed luisteren had ook zin: want het viel Bas Belleman niet altijd mee om wat AI produceerde op een neutrale toon voor te lezen. Winnaar was uiteindelijk degene die zich maar vier keer vergiste.