Awater is meer dan een tijdschrift. We staan met regelmaat op literaire festivals, in boekwinkels en elders op een podium met een poezieprogramma: Awater Live. Hier lees je de verslagen van eerdere edities, vaak met luisterfragmenten. Daarnaast zoeken we de poëzie op door festivals in het hele land te bezoeken: met een stand of als bezoeker, zoals Poetry International, De Nacht van de Poëzie of Dichters in de Prinsentuin. Hiervan doen we op deze plek ook verslag.
Awater Live in de Drvkkerij
28 maart 2025
Awater Live: Middelburg, De Drvkkerij, 28 maart 2025
In de overdekte binnentuin van boekhandel De Drvkkerij in Middelburg presenteerde Poëzietijdschrift Awater het winternummer 2025. Te gast waren Micha Braaksma, Anna de Bruyckere en Anne Provoost. De presentatie van de middag was in handen van hoofdredacteur Myrte Leffring en bureauredacteur Alek Dabrowski.
Tekst, foto's en geluidsopnames: Liliane Waanders
Micha Braaksma
Al schrijft hij al gedichten sinds zijn zeventiende, voor Micha Braaksma is poëzie geen hoofdzaak. Hij schrijft om zijn gedachten te ordenen, om zijn standpunt te bepalen, om persoonlijke indrukken vast te leggen. Als hij schrijft richt hij zich vaak in eerste instantie op ‘de boodschap’, op de gedachte die hij wil verwoorden, om zich vervolgens te realiseren dat de klank centraal stellen uiteindelijk beter werkt. ‘Als ik het eerste probeer, wordt het vaak te geforceerd. Ligt het er te dik bovenop’, geeft hij toe als Myrte Leffring hem naar zijn manier van werken vraagt. ‘Soms is het dan te duidelijk of juist te ingewikkeld. Meestal zijn “simpele” gedichten het sterkste.’
Braaksma is behalve dichter ook fotograaf, en studeert literatuur en filosofie in Tilburg. Buiten Zeeland reflecteert hij in zijn poëzie op het landschap, de zee en het water. ‘Beste Schelde’, is een van de gedichten die hij tijdens de presentatie van Awater voordroeg:
Ik heb oneindig gejut en met de meeuwen geschreeuwd. Gefluisterd met de schelpen en geluisterd naar de zee. Ik ben uitgeput.
Strijk je blauwwitte armen uit, jij zee.
Toon mij jouw kleuren, trek me in.
Neem mij mee.
Anna de Bruyckere
Schrijver, theater- en audiomaker Anna de Bruyckere debuteerde in 2020 met de bundel Voor permanente bewoning. Als zij – stel dat zij een debutante was – haar voorbeeld mocht interviewen, dan zou dat Charles Ducal zijn: ‘Ik vind dat Charles er heel goed in slaagt om een enorme intimiteit in zijn gedichten te brengen. Als ik hem lees, mag ik meekijken in zijn diepste gevoelens en gedachten. Gedachten en gevoelens die hij nooit uit zou spreken. Gedachten over vragen als: ben je wel mens genoeg? Ben je wel opgewassen tegen de dingen, tegen de wereld en jezelf? Dat doet hij zo mooi en zachtaardig.’
Myrte Leffring: ‘Hoe beïnvloedt poëzie jouw theaterteksten? Anna de Bruyckere: ‘Wat ik regelmatig terugkrijg is dat de taal beeldender is dan mensen verwachten in het theater. Maar de regisseur van het stuk waar ik nu aan werk, zegt regelmatig: “Dit is een dichtregel. Gaan we niet doen!” Dan vindt hij dat ik te veel uitleg. De toneelbeelden niet voor zichzelf laat spreken. Op papier heb je alleen de taal, maar op het podium heb je voldoende extra middelen om dingen onbenoemd te laten.’
De vraag of ze een perfectionist is, beantwoordt Anna de Bruyckere met een kort en krachtig: ‘Ja’. De vraag wanneer een tekst af is iets minder stellig met: ‘Nooit. Je kunt op heel veel momenten een punt zetten. Dan is het af, maar dan pak je het later weer op.’
Anna de Bruyckere is een van de initiatiefneemsters van De Baaierd. ‘Dat is een literair platform, een reizende herberg voor de letteren in de breedste zin van het woord. Wie iets met taal en tekst doet is welkom. Het is ook een broedplaats voor talent, waar gevestigde namen jonge collega’s ondersteunen of tijdens workshops zich zelf kunnen bekwamen in nieuwe genres.’
Anna de Bruyckere begint haar voordracht met het gedicht ‘Bouwtekening’ uit de bundel Voor permante bewoning:
Anne Provoost
Decem, de tweede bundel van meervoudig gelauwerd schrijver Anne Provoost, is dit keer de Clubkeuzebundel. Uit de onderbouwing van deze keuze: ‘Er is al een hoop poëzie geschreven over vluchtelingen, maar Provoost doet het in een volstrekt eigen taal, en zonder opgeheven vingertje. Er is ruimte voor taalspel, […], maar het wordt nergens vervelend of koket dat er in deze context ook gespeeld wordt. De bundel wemelt van de aangrijpende passages […]. Aan het eind is de lezer overrompeld, en enigszins ontzet door de spiegel die hier wordt voorgehouden.’
Dat haar poëziedebuut in 2022 verscheen, wil niet zeggen dat Anne Provoost pas toen gedichten ging schrijven. Zeker niet. Net als iedere puber schreef ze in die leeftijdsfase gedichten. Bovendien schreef ze ieder jaar een liefdesgedicht voor haar man, gedichten die ze hem niet gaf, gedichten die daardoor ergens op het internet een schemerleven leiden. Dat er uiteindelijk gedichten gepubliceerd werden, is een heel ander verhaal. Een verhaal dat samenhangt met het boek over haar grootmoeder waar Anne Provoost al lang aan werkt. ‘Tijdens het werken aan die roman over de kinderen van de IJzer – het verhaal is gebaseerd op het verhaal van mijn grootmoeder, maar ik maak er fictie van – drong er een soort metrum in mijn schrijven door. Elementen die je eigenlijk toeschrijft aan poëzie – binnenrijm, rijm, metriek, woordspelletjes – kwamen in het boek terecht. En die zitten er nog in. Die cadans in het boek is de cadans van de trein waarmee al die kinderen, waarvan mijn grootmoeder er een was, weggevoerd werden. Die trein werd voor mij het symbool van de oorlog die over je heen walst. Parallel aan dat boek begon ik poëzie te schrijven. De twee dichtbundels zijn het resultaat van hoe ik dat uit mijn systeem heb willen krijgen, en hoe dat niet gelukt is.’
Tijdens het gesprek met Alek Dabrowski komen twee heikele literaire onderwerpen aan bod: het (auto)biografische en culturele toe-eigening. Anne Provoost: ‘Het lyrische ik is niet de schrijver of de dichter. Er wordt snel gedacht dat iets waarover wij schrijven ons overkomen is. Zeker als de lezer iets specifieks weet te herleiden tot het leven van een schrijver, gaat hij er te vanzelfsprekend van uit dat de rest ook over de schrijver zelf en wat hij heeft meegemaakt gaat. Ik vind het van belang om het publiek er attent op te blijven maken dat er een groot verschil is tussen het lyrische ik en de dichter. Dat gaat daar soms te snel aan voorbij.’
Haar bundel Decem is geschreven vanuit een mannelijk personage. Een reden om zich goed voor te bereiden op de vraag die zeker zou komen: of ze dat wel mocht doen: spreken vanuit het perspectief van een mannelijke vluchteling. ‘Kan dat wel: je pakt de stem van iemand anders. Je doet alsof je je kunt inbeelden wat hij heeft meegemaakt. Dat is cultural appropriation. Kan ik een dichtbundel schrijven vanuit het standpunt van een zwarte vrouw, of ben ik dan haar cultuur aan het accapareren?’
Anne Provoosts antwoord is helder: ‘Dat is onze job. Dat is wat een schrijver doet. Eigenlijk staat telkens als het gaat over de vraag of je wel gemachtigd bent om het verhaal van die ander te vertellen de literatuur zelf ter discussie. Dan kan ik ook geen historische roman meer schrijven, want ik heb niet in de veertiende eeuw geleefd. Onze job als prozaschrijver, en ik doe dat ook in mijn poëzie, is in de voeten gaan staan van iemand die ik niet kan zijn. Dat ik mijn opdracht, want – en dan keer ik terug naar mijn personage in Decem: hij is nog niet in staat om naar pen en papier te grijpen. Dus ik moet plaatsvervangend spreken voor hem. Voor mij kwam alles samen toen ik deze bundel aan het ontwerpen was. Ik geef stem aan iemand die geen stem heeft. De poëzie is het ultieme genre waarin je kunt stotteren. Waarin je zinnen onaf kunt laten. Waarin je twee keer hetzelfde mag zeggen. Waarin je ook duidelijk kunt maken dat je de woorden niet vindt. Waarin je metaforen gebruikt omdat je niet kunt zeggen wat je wilt zeggen. Waarin je metaforen gebruikt die er misschien helemaal naast zitten, en dat voel je.’