Recensies

  • Verse helden

    Gerry van der Linden
    Verse helden

    Opstaan uit een lege stoel

    In Verse Helden, de nieuwe bundel van Gerry van der Linden, wordt een gedicht opgedragen aan Wim Brands. Een mooi gedicht, maar geen goed gedicht. Ik zeg mooi, omdat het me raakt. Niet alleen omdat Brands’ dood me raakt, maar vooral omdat er sterke, ontroerende regels in staan. Bijvoorbeeld de slotregel: ‘je wilde opstaan uit een lege stoel’. Je wilde opstaan uit het niet-zijn: je wilde leven. Én je wilde weg uit die leegte in je zelf: je wilde dood.

    Toch heb ik de indruk dat Van der Linden niet helemaal door heeft wat die regel allemaal oproept. Dat leidt tot inconsequenties. De regel vooraf, ‘je was gevallen – ik zag het’, refereert aan Brands’ beroemde ‘lopen is uitgesteld vallen’. Dat Van der Linden Brands vervolgens laat willen ‘opstaan uit een lege stoel’ is omdat ze hem in het begin op een stoel heeft gezet, maar het klopt gewoon niet. Wie loopt en valt, valt niet in een stoel, en wie uit een stoel valt, kan er vervolgens niet uit opstaan. Of het moet zo zijn dat Brands wil opstaan uit de stoel waaruit hij net gevallen is. Maar het beeld zo lezen maakt het verlangen naar een wonder dat ook uit het beeld spreekt belachelijk. Dat zou Brands geen recht doen. Bovendien vindt de regel zijn drama in de gedachte dat de stoel leeg is ondanks het feit dat Brands erop zit. Er niet zijn terwijl je er bent, dat is depressie.

    Dit is symptomatisch voor deze bundel. Helaas, want Verse Helden grossiert in dergelijke schitterende regels, die bovendien een subtiele muziek kennen die zo onnadrukkelijk is dat je haar gemakkelijk over het hoofd ziet. Maar steeds is het weer alsof Van der Linden waarneemt, en haar waarnemingen vervolgens met haar op de loop gaan. Neem deze openingsstrofe van het gedicht ‘Spiegels’:

     

    Er is altijd wel iets wat ik niet heb gezien in de spiegels
    en spiegels zijn mij toch niet onbekend
    
hoeveel heb ik er wel niet versleten
    
hoeveel van die godverlaten spiegels
    hielden mijn gezicht voor en meer
    dat ik niet kon zien

     

    Het is de terugkerende ie-klank die me muzikaal bekoort. Maar wat gebeurt er? De spreker voor de spiegel (die voor zelfreflectie staat) valt het op dat ze altijd iets ziet dat ze op basis van eerdere spiegelreflectie niet verwachtte. Maar ze zíét het wel, en niet alleen in de spiegel, want later ligt het ‘onaangeroerd op tafel’. Voor iets dat niet gezien wordt, wordt het wel erg vaak gezien. Dit maakt de dramatische wending naar boven – ‘toe hou mij een spiegel voor in de lucht’ – tot een loos gebaar. Die luchtspiegel moet contrasteren met de ‘godverlaten spiegels’, maar hoe godverlaten waren die spiegels echt als ze zo duidelijk het ongeziene aan de spreker getoond hebben?

    Van der Linden staat bekend als een dichter van de waarneming, en omdat de voorlaatste afdeling, waarin dit euvel niet speelt, deels uit oude gedichten (uit 1990) bestaat, vermoed ik dat ze zich in een transitie bevindt. Dat past bij de bundel, waarin het niet de mensen zijn die beschreven worden, maar waarin de afstand tussen mensen wordt verkend, in de eerste drie afdelingen in maatschappelijke conflicten, bij dode geliefden en in familie. Die afstand is tegelijk iets dat er ontegenzeggelijk is en iets waar je nooit helemaal je vinger op kunt leggen. Het blijkt altijd meer te zijn nadat je het hebt beschreven.

    Dat vindt in Verse Helden voortdurend plaats, maar het is alsof Van der Linden (of haar redacteur) niet in het wonder van haar eigen zinnen gelooft. Dat er desondanks veel valt te genieten doet vermoeden dat er met een beetje meer aandacht uit de goede dichter Gerry van der Linden een nieuwe, nog veel betere Gerry van der Linden zou kunnen opstaan.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2017
    RecensentJoost Baars
    Editie2017-3