Recensies

  • Wassende stad

    Lies van Gasse
    Wassende stad

    Leven in de stad

    In Wassende stad onderzoekt Lies Van Gasse het fenomeen van de stad. Maar wat is een stad? De in de Noordelijke Nederlanden verleende stadsrechten zijn sinds 1851 afgeschaft, 30 jaar voordat Nietzsche de dood van God in Die fröhliche Wissenschaft aankondigde. Wat een stad is, was al vroeg een kwestie van interpretatie.

    Volgens Deyan Sudjic in The Language of Cities (2016) kan de stad geduid worden aan de hand van de bevolkingsdichtheid, het bestuurlijke systeem, het transportstelsel en ga zo maar door. Op een ander niveau kun je de stad ook zien als een welvaartsmachine die de armen op zijn minst iets minder arm kan maken. Wat een stad is, is tegelijk aan flux onderhevig: zij groeit en krimpt, men houdt er met moestuintjes rurale gewoonten op na, er kan sprake zijn van een geprivilegieerd centrum van de stad – vaak ‘de stad’ genoemd – en een achtergestelde periferie waartussen spanningen kunnen bestaan, zoals Doug Saunders in Arrival City (2011) laat zien. Sommigen, zoals stedenbouwkundige George Eugène Haussmann, die van Napoleon III na de revolutie van 1848 de opdracht kreeg Parijs opnieuw te ontwerpen, benaderden de stad als een van bovenaf te vormen werk met door brede alleeën gescheiden blokken voor arbeid of woongelegenheid. Jane Jacobs daarentegen legt in onder meer The Life and Death of Great American Cities (1961) de nadruk juist op een creatieve stad met geïntegreerde stadsfuncties: als je niets aan een stad doet, ontwikkelt ze zich vanzelf.

    Er zijn stadsplanologen en -filosofen, en er zijn dichters die met hun fijne observaties en effectieve uitdrukkingsvermogen uitstekend zijn toegerust om steedse betekenissen te duiden en te creëren. Waar de rusteloze Slauerhoff aangaf alleen in zijn gedichten te kunnen wonen, ontvouwt Van Gasse met haar gedichten een stad. Hoe verder je in de bundel belandt, hoe meer die stad tot wasdom komt.

     

    Je recht je woorden tot een rug van steen,
    klit je gedachten tot een kanten muur,
    
een witte zuil, een over lucht geschepte doos,
     
    tot een stad die traag ademt, waarbij de huid
    van elk gebouw rimpelt
    door een zware wind, waarbij het wiegen van de
    boom een zeil betast.
     
    Onze letters zijn gebouwen

    in dit wolkloos hoofd.

    Taal schiet gewapend door geraas.

     

    Aanvankelijk zijn de gedichten vooral landelijk, maar langzaam breidt Van Gasses stad zich in alle facetten rondom de lezer uit. Tegelijk worden de gedichten geleidelijk toegankelijker.

    Niet zelden is die stad een plek van overlast vol stank, vervuiling en geluid, bedreiging en geweld, en lijkt ze gevuld met angst of afkeer voor de periferie, voor de ander en het andere – in een gedicht dat zich afspeelt in Damascus, noteert ze: ‘Vijfmaal per dag heft de muezzin/ scherp een beker van klank, een mes dat zingt’. Tegelijk, in hetzelfde gedicht zelfs, wordt de stad warmbloediger bekeken en zoekt een ontvankelijke ik-persoon naar ‘je stem/ die glanzend verbindingen zoekt/ tussen koepels en borsten’. En in een volgend gedicht kijk je vanuit de daktuin mee ‘naar gebintes, die ritmisch kolommen/ vormen boven de kinderkoppen’ – wat doet denken aan de reflexieve Palomar van Italo Calvino, die in de gelijknamige roman vanaf zijn dakterras naar de verspringende daken van Rome kijkt. Aan Onzichtbare steden (1972) van diezelfde auteur doet Van Gasses gedicht ‘Droom van de stad’ denken wanneer zij een potentieel Parijs droomt, met onder het staketsel van de

    stad een kaai, ‘als een schaakbord, een spel,/ de strijd om het ons bemeten heelal’.

    Het is geen vreemde gedachte dat Wassende stad iets van het sentiment van deze tijd weergeeft, dat sentiment van waaruit populistische tendensen hebben kunnen uitgroeien en waarop weer tegenbewegingen zijn ontstaan, wellicht vanuit een gedeeld maar anders ervaren gevoel van onbehagen:

     

    De stad is waar ik ben; deze kamer is rond mij gebouwd, dit
    glanzende geraamte dat vertakt tot een kartonnen bouwsel met
    wegen waartussen draden gespannen:

    een tramlijn, een lichtnet, de randjes van vogelnesten.
     
    Draden worden gespannen, zij wijzen ons de weg
    naar een buitenwereld die los van ons bestaat.
     
    De stad staat stil aan de klip
    tot er iets valt.

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2017
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2017-3