Recensies

  • Binnenplaats

    Joost Baars
    Binnenplaats

    Ondanks het verstand

    Bij het debuut van iemand als Joost Baars, die ik natuurlijk al ken als poëzieliefhebber en -bespreker, vraag je je nadrukkelijk af welke kant zijn werk opwaait. Opmerkelijk dat hij daarover niks kwijt wil op het achterplat van zijn eersteling Binnenplaats, waarop hij ter introductie slechts een gedicht laat opnemen. Zoek het maar uit, ik wil nergens ingedeeld worden, lijkt hij daarmee te zeggen. Toch spreekt zijn bundel voor zich, al direct met die titel Binnenplaats: dit is introverte poëzie, uitkijkend op een binnenplaats, die misschien ook wel het innerlijk is, niet geschreven om te behagen maar om zelfonderzoek te plegen. Het gaat Baars niet om de pakkende formulering maar om achter iets te komen, om op zichzelf en zijn gewaarwordingen te reflecteren.

    De titelafdeling, voorafgegaan door een gedicht ‘Kosmologie van het tapijt’ waarin het instorten van een (zijn?) vrouw wordt beschreven, is een zoektocht naar ‘Jou’ met een hoofdletter waarin ik gaandeweg steeds meer sporen uit Koplands befaamde G-cyclus ontwaarde, de zoettocht naar God of het transcendente, of de zingeving van alles. Het zijn stamelende, aftastende gedichten, vol herhalingen, onaf hier en daar; soms licht er opeens iets uit de werkelijkheid op, een buurman op het achterbalkon, een opvliegend parkietje, maar merendeels speelt zich dit af in het brein. De zoektocht naar dit ‘iets’ is onstoffelijk (‘het is verteld/ dat Je een lichaam hebt gehad/ dat woorden sprak/ zoals ik spreek als ik/ met vrienden ben’) maar dat stadium lijkt voorbij; ook het verstand is niet toereikend om het ‘goddelijke’, ‘onstoffelijke’ zoals ik het maar even noem, te zien: ‘zelfs als Jij nu niets anders bent dan enkel een naam,/ woedend ontsnapt aan/ mijn slapende lippen ondanks/ mijn verstand’.

    Verwacht geen spetterend vuurwerk van deze zoektocht naar het niet kenbare, eerder een even integere als ingekeerde worsteling met het immateriële dat zo nu en dan ook wel op de wereld, de aarde, de Hof van Eden zelfs, lijkt, zoals hier:

     

    het is zo mooi licht in Je.
    is het maanlicht of
     
    reflecteren de wolken
    het licht van de stad
     
    die altijd maar boven
    Je uit ruist, of
     
    is het het keukenlicht
    van mijn buurman
     
    dat Je beschijnt.

    Je ligt er zo opgewekt bij.

     

    Opmerkelijk eigenlijk, die religieuze impuls, die in de verte doet denken aan de laatste poëzie van die andere Joost, Zwagerman, die echter veel wanhopiger en desastreuzer op zoek ging. Baars’ gedichten passen eerder in de traditie van Jesaja en zijn Klaagliederen, zoals die ook zijn kennelijke voorbeeld, de Engelse dichter Gerald Manley Hopkins inspireerde. Van de ascetische godzoeker Hopkins vertaalde Baars hier niet toevallig ‘Sonnets of desolation’, gedichten waarin natuur en religie een grote rol spelen maar die door Hopkins’ complexe zins- en woordbehandeling ook een soort opening op het Modernisme bieden. Ook Baars neemt duidelijk geen genoegen met wat melancholische wanhoop, maar probeert in de taal iets teweeg te brengen.

    Ook in de overige gedichten, iets anekdotischer soms en opgedragen aan mensen als Tom Waits, Werner Herzog, Emily Dickinson, overheerst het filosofisch bewustzijn: niet de logische filosofie maar de impressionistische filosofie: hoe zit het met de kosmos, met de tijd, met mij in de wereld. Karakteristiek is het gedicht ‘Dode hond’, niet per se over een dode hond maar over een eilandje dat zo heet, ‘dode hond/ is een kunstmatig eiland,/ net als mijn kamer in het huis waar wij opgroeiden,/ net als mijn broer/ net als ik,/ als een auto met gesloten ramen/ in de zonzee geparkeerd.’ Midden in de wereld allemaal en toch geïsoleerd. Zo kijk je naar de sterren, ervaar je afstand, voel je de raadsels van dood en leven.

    Binnenplaats is een bundel waarin een poging ondernomen wordt om niet minder dan de zin van alles te doorgronden. Dat moet per definitie wel falen maar het blijft de poging waard, lijkt Baars (alweer in het voetspoor van Kopland e.a., ‘Wie wat vindt heeft slecht gezocht’) te zeggen. Dit is, voor wie bereid is mee af te dalen, indrukwekkende poëzie, met Hopkins, Kopland, hier en daar ook Leopold als peetvaders. Zonder effectbejag, maar als het ware geknield voor het open raam vragend kijkend naar de kosmos:

     

    ‘ik bid

    tot wikipedia
     
    zit uren aan de binnenplaats
    en kijk omhoog, maar
     
    zie alleen het jaar na jaar
    na lichtjaar
     
    groeiend van de ruimte.’

     

    In de laatste afdeling ‘Het dal van Spoleto’ vliegt pal na het ziekenhuisbezoek een omineuze kraai langs, ‘ik wil jou niet in mijn betekenis-/geneigde brein, dat moet geloven/ dat ze thuiskomt’. Het heeft er alle schijn van dat deze verdiepte, wijsgerige gedachtenpoëzie ontstaan is door een incident, een ernstige ziekte in de omgeving van de dichter. Daar horen we verder niet veel over, het verlangen naar zingeving die er het gevolg van is overheerst. Geen anekdotiek, maar verdieping in het besef dat de wereld desondanks gewoon doordraait: ‘ach, ganzen van de flevopolder, wat maakt het jullie uit’. Mooi.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2017
    RecensentRob Schouten
    Editie2017-2