Recensies

  • Het vaderpaard/
It faderpaard.
 Alle gedichten


    Tsjêbbe Hettinga
    Het vaderpaard/
It faderpaard.
 Alle gedichten


    Onder zeevogels

    In The Songlines (1987), een antropologische studie in de vorm van een reisboek, probeert Bruce Chatwin erachter te komen wat nu precies de betekenis is van de liederen die Aboriginals over hun land en hun mythische geschiedenis zingen. Dat onderzoek is niet eenvoudig, omdat de liederen in beginsel geheim zijn voor oningewijden, maar Chatwin maakt aannemelijk dat er voor de zangers geen wezenlijk verschil bestaat tussen, enerzijds, het in mythische tijden gevormde landschap en, anderzijds, het lied dat die werkelijkheid als het ware in stand houdt. Rotsen, bomen, dieren, mensen en hun woorden en melodieën behoren ontologisch gezien tot één en dezelfde categorie. Wie verzuimt het lied op de juiste wijze ten gehore te brengen of het, in het ergste geval, vergeet, berokkent het land onherstelbare schade en krenkt de voorouders.

    Geen Nederlandse dichter, of het moest H.H. ter Balkt zijn, is zo sterk verbonden met zijn landschap als Tsjêbbe Hettinga (1949- 2013). Als dichter gedebuteerd in 1973 met een bundel die al veelzeggendYn dit lân heette, kwam hij in de jaren negentig pas werkelijk op stoom met Under seefûgels en het in Nederland direct populaire Vreemde kusten/Frjemde kusten, niet in het minst doordat er een cd bij zat waarop de dichter zijn werk voordroeg. In de jaren daarna verschenen diverse bundels, waarvan er drie tweetalig waren. Hettinga, een buitengewoon innemende man, was een graag geziene gast op poëziefestivals in binnen- en buitenland, waar hij indruk maakte door de intensiteit en concentratie waarmee hij zijn werk ten gehore bracht – uit het hoofd, want hij was inmiddels blind. Hoewel er zeker binnen Friesland hier en daar enige weerstand tegen zijn werk viel waar te nemen, was iedereen het eens over zijn uniciteit. Dat De Bezige Bij het heeft aangedurfd Hettinga’s werk in een lijvige tweetalige editie uit te brengen, getuigt van de statuur van de geliefde dichter.

    De eerste twintig jaar van zijn dichterschap was Hettinga nog zoekende

    Het boek is zorgvuldig samengesteld. Niet alleen zijn alle bundels erin opgenomen, inclusief een voltooide bundel die in de nalatenschap werd aangetroffen, maar de uitgave bevat ook enkele tientallen pagina’s met verspreid gepubliceerd en ongepubliceerd werk. Een groot deel van deze poëzie was nog niet eerder vertaald. De editie wordt gewetensvol verantwoord, bovendien is er een beknopte levensschets, duidelijk geschreven door iemand die Hettinga goed gekend heeft. Het enige wat nog ontbreekt is een cd-box met verzamelde voordrachten; wel zijn gelukkig tegelijkertijd met de uitgave alle bestaande voordrachten als luisterboek beschikbaar gemaakt, voor € 19,- te downloaden op www.luisterrijk.nl.

    Het is niet eenvoudig in kort bestek een indruk te geven van de rijkdom van dit boek. De eerste twintig jaar van zijn dichterschap was Hettinga nog zoekende. Hij begint met korte, enigszins laconieke gedichten die niet misstaan in het poëzieklimaat van de jaren zeventig. Dit is het eerste gedicht, ‘Hjerst’:

     

    de wei nei de dea is

    op gefaarlike krúspunten
    de moed opbringe
    
in hân út te stekken

    mei de hope

    dat men noch in eintsje
    opride kin

    nei it ljocht

    (Herfst: de weg naar de dood is op gevaarlijke kruispunten de moed opbrengen een hand uit te steken en te hopen dat je nog een eindje doorrijden kan naar het licht)

    Dat heeft niet veel om het lijf, al is het opmerkelijk dat het in deze eersteling al gaat om een reis, en wel een reis naar het licht. In het gedicht erna verschijnt voor het eerst het Friese landschap. De dichter slaat een kruis:

     

    van mijn voorhoofd naar mijn hart
    als het geluid van de vogels
    
dat blauw is
    
en van schouder naar schouder
    als de veile vlakte in de stilte
    die groen is

     

    Typerend is zowel de vereenzelviging van het eigen lichaam met de natuurlijke omgeving als de synesthesie: de heldere vogelzang heeft Hettinga’s favoriete kleur aangenomen.

    Het is interessant Hettinga’s ontwikkeling te volgen, maar de eerste vier bundels ontberen de grootsheid van het latere werk. Pas in Under seefûgels De kust (1992) is de dichter waar hij moet zijn. Voortaan schrijft hij lange, vaak brede gedichten met een regelmatige bladspiegel waarin de taal op reis gaat naar oorden waar niemand ooit geweest is, zij het dat de beschreven landschappen bijna allemaal gekenmerkt worden door wind, wolken en de nabijheid van de zee. Meestal gaat het om Friesland, maar ook in Wales en op de Griekse eilanden voelt de stem van de verteller zich thuis – wat niet betekent dat de spreker zelf ooit thuiskomt, want de gedichten spreken van een fundamentele ontheemdheid die herinnert aan het werk van Adriaan Roland Holst en J.J. Slauerhoff, maar vooral aan de Odyssee.

    Erotisch verlangen is daar niet vreemd aan. Vaak lijken vrouw en landschap samen te vallen en ervaart de verteller de onweerstaanbare drang daarin op te gaan, om vervolgens weer te moeten vertrekken, op zoek naar een nieuwe horizon. De dichter is één met de wolken en de zeevogels, ieder gedicht is een tocht naar een einder die steeds weer verschuift. Taal, wereld en ervaring zijn niet van elkaar te onderscheiden:

     

    Er kroop een kleurenontduikende schemer
    In de bij elkaar vergaderende taal van
    Twaalf ganzen aan ’t laatste maal van de avond,
    Er kropen langzaam letters uit de wijswoorden
    Boven stakige kruispunten van wegen
    Naar de nacht aan de grond nagelende dorpen

     

    Bij regels als deze (uit de nagelaten bundel De ring fan Gyges) valt Hettinga’s voorkeur voor het enigszins archaïsche tegenwoordig deelwoord op, de vorm die niet alleen werkwoord en naamwoord tegelijk is, handeling en eigenschap in één dus, maar bovenal het vermogen heeft de zin op compacte wijze op te tuigen met een maximum aan informatie. Deze poëzie wil alomvattend zijn. Intussen heeft de beschreven ervaring, niet alleen in de hier aangehaalde regels (het laatste avondmaal), ook een religieuze connotatie. Het landschap is misschien niet heilig, maar zeker bezield.

    Wat niet betekent dat de dichter ooit thuiskomt

    Ik heb de dichter hierboven enkele malen een verteller genoemd. Inderdaad wordt in vrijwel ieder gedicht een verhaal verteld. Vaak is de locatie herkenbaar als Fries, Grieks of Welsh, vaak spelen erotische betrekkingen een rol, maar het is niet altijd mogelijk de verwikkelingen op de voet te volgen. De (soms zelfs ongrammaticale) zinnen volgen elkaar op in een associatief verband, het is alsof je getuige bent van een dagdroom, een stream of consciousness waarin je vergeefs naar logica zoekt. Omdat de stroom zo vervoerend is kost het doorgaans weinig moeite je erdoor te laten meeslepen, zeker als Hettinga de gedichten voordraagt, maar zodra je gaat kijken wat er nu eigenlijk staat, is de kans groot dat je vastloopt. Precisie is niet de sterkste eigenschap van deze dichter. In ‘De lamsvrouw’ (eveneens uit de laatste bundel) vertelt Hettinga een sprookje, maar ook bij herlezing slaag ik er niet in vast te stellen wat er nu eigenlijk gebeurt. Dat lijkt me een bezwaar bij een gedicht dat zelf suggereert dat de plot ertoe doet. En soms maakt de dichter zich er wel erg gemakkelijk van af wanneer hij om een geheimzinnige sfeer te scheppen het woord ‘mysterieus’ of ‘mystiek’ gebruikt.

    De verzamelbundel is terecht genoemd naar een van Hettinga’s grootste creaties, ‘It faderpaard’, een magistraal in memoriam voor zijn vader. In tweemaal zeven strofen van elf regels, waarin een eeuwige lente wordt aangekondigd, lijkt de vader min of meer samen te vallen met een zwarte Friese hengst. De eerste strofe begint zo:

     

    Morgen zal het voor eeuwig lente zijn, maar nacht is het nu.

    De maan – de ziel van iemand die sterft in het duister – is
    Vol, en dronken als het pad van dorp naar dorp is zij over
    Zwarte piramiden van hoeven, vingerwijzingen

    Van pikdonkere godshuizen en een paarse motorkap
    Naar het vaderpaard in zijn geblindeerde paardenstal
    Geslingerd, in een laatste zucht van de wind, onder sterren.

     

    De ziel van de stervende doet zich voor als maanlicht dat nog eenmaal het geliefde landschap beschijnt en met haar stralen op zoek is naar een paard in een stal. De maan is dronken, de boerderijen zien eruit als Egyptische koningsgraven, kerktorens wijzen omhoog, de stal is blind en zelfs de wind blaast de laatste adem uit.

    Wat in de vertaling noodgedwongen verdwijnt, is het door Hettinga overigens vaker benutte, woordspel met ‘stjerren’, dat zowel ‘sterven’ als ‘sterren’ betekent, alsof het doodgaan van nature verbonden is met het eeuwige zwerk. Waar het Fries het woord ‘piktjuster’ (pikduister) kent, moet het Nederlands wel voor ‘pikdonker’ kiezen, wat de herhaling van ‘tjuster’ onmogelijk maakt. Daar staat tegenover dat in de vertaling tweemaal ‘paard’ voorkomt, waar het Fries een afwisseling laat zien van het in die taal ongebruikelijke woord ‘paard’ en de samenstelling ‘hynstestâl’ (eigenlijk: hengstenstal). Een vertaling is altijd een compromis, en over het algemeen hebben de vertalers, gedeeltelijk nog in samenwerking met de dichter zelf, de klus prima geklaard.

    Lezen in It faderpaard, waarbij ik in gedachten onvermijdelijk de stem van Hettinga hoor, is een reis door een gedroomd landschap, een oeroud mythisch gebied dat in zekere zin pas geschapen wordt door de royaal meanderende zinnen vol kleuren, geuren en klanken. Hettinga is op zijn best in ‘De mar’ (het meer), in 2003 verschenen onder de titel ‘Oan ’e Brek in dei’ (een dag aan de Brekken, bij Oudega), dat het leven en het werk van schilder en dichter Gerben Rypma (1878-1963) oproept. Hier komt alles bij elkaar: landschap, melancholie en verlangen, en de drang om verbeelding om te zetten in verf of klank:

    Wanneer het eerste rauwe drijfgeroep de trage
    Slaperige koeien met wiegende uiers door de dauw
    Van het natgroen waterland naar de vette handen
    Van de verre melkplaats jaagt, [...]
    Gaat de man, zat van vragen en taferelen, staan en
    
Loopt – koel de schaduw van zijn schamel verblijf – hoofdkrabbend
    Zijn houten hut in waar het ruikt naar vers gras en verf.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2017
    RecensentPiet Gerbrandy
    Editie2017-2