Recensies

  • Oden voor komende nacht

    Jacques Hamelink
    Oden voor komende nacht

    Verlangen naar toekomst

    In zijn nieuwe bundel Oden voor komende nacht – de eerste die ik van hem las – schrijft Jacques Hamelink zinnen als “En hoor het krankzinnig vertelsel, de Witte/ de wete doen: ‘omdat mijn vader dood is’,// de stilte van mijn ouders buitenperkelijk,/ hun sparige woorden, het tegen alle code/ huilen van de Witte geworden.” Wat daar ‘gewoon’ staat, is volgens mij iets als: toen hoorde ik dat mijn vader dood was, en dood was iets dat zo tegengesteld aan de wet van leven was dat ik er niets van kon begrijpen, en daarom kun je het huilen dat we erom deden ook zien als een soort onwettige daad. Waarom schrijft Hamelink het niet zo op? Sommigen zullen zeggen: hij is een dichter, hij wil het mooi doen. Maar dat ‘mooi’ is hier wat onbevredigend, want dat zie ik ook als ik over mijn balkonhek kijk. En wat is ‘mooi’ nou helemaal? Zijn er niet talloze manieren om de krukkige parafrasering die ik net formuleerde mooi, maar niet zo bevreemdend, en daarom duidelijker te maken?

    De Engelse negentiende-eeuwse dichter Gerard Manley Hopkins, schrijver van zeer moeilijke verzen, beschreef zijn poëziepraktijk als ‘aftering, seconding, over- and overing’. Schrijven was voor hem terugkeren naar iets dat is geweest, iets dat je kwijt bent, en er net zo lang in rond te blijven peuren totdat je vanuit dat verlorene tot een nieuwe toekomst kunt komen. Het is dus niet zozeer het verlangen naar schoonheid of helderheid dat de dichter beweegt om bevreemdende zinnen te maken, maar het verlangen naar een toekomst. De dichter die Hamelinkse zinnen maakt, beschrijft het verleden niet omdat hij het kent, maar in de hoop het nog niet te kennen. Want op het moment dat hij op iets stuit dat hij nog niet blijkt te kennen, wordt de toekomst die uit het hem bekende verleden volgt ook anders. Zo stelt hij het, met een putmetafoor, in ‘Voorvaderlijke waterwel’:

     

    Straf druipend wordt die daaruit opgehaald,
    met elke haal onalledaagsheid winnend door
    wonderbare hel waarop hij inbreuk is geweest.

     

    Onalledaagsheid winnen. Dat is ‘aftering’, volgens mij. Een dichter schrijft iets niet zozeer precies op zoals hij het bedoelt, maar zoekt naar nieuwe bedoelingen, bedoelingen die afwijken van wat als ‘alledaags’ – als gewoon, als evident – wordt bestempeld. Om zo uit het bekende verleden een onbekende toekomst te vorsen.

    Dat Hamelink terugkeert naar een verleden in Oden voor komende nacht is meteen duidelijk als je begint aan de eerste en verreweg langste afdeling in de bundel, ‘Karretje op de zandweg’. Alleen de titel al doet nostalgisch aan. En ja, we zien schetsen van een leven op het platteland, ongetwijfeld ontsproten aan Hamelinks eigen Zeeuwse jeugd. Hamelink telt een kloeke 77 levensjaren: de ‘komende nacht’ is de dood, en Hamelink bereidt zich erop voor door terug te kijken op zijn leven. De dood is de toekomst die hem rest, en wie ervan aan de vooravond staat kan maar beter een manier vinden hem niet bitter, maar zachtmoedig tegemoet te treden. Go gently into that good night.

    Verder lezen laat van die leeswijze echter weinig heel. Al in ‘Karretje op de zandweg’ kruipt er steeds meer geweld in Hamelinks taal, culminerend in een stuk of wat gedichten over een varken. Het is een wezen waarmee de ik uit de gedichten oog in oog komt te staan, als met een soort boze geest, en dat het slechtste in de ik naar boven haalt. In een van de gedichten beweegt het varken de ‘ik’ zelfs tot het brengen van de Hitlergroet.

    De steeds duisterder en geslotener wordende plattelandsgedichten van ‘Karretje op de zandweg’ contrasteren met de lichtheid en de openheid van de stadsgedichten in ‘Levensdagen’, een paar afdelingen verderop. In T-shirtwaardige regels, schrijft Hamelink: ‘De stad is en blijft ronduit van bliksemen en donderen// maar accurate rake zon en wind doen non-stop wonderen.’ Het contrast is haast duizelingwekkend. En bedoeld of niet, in deze tijden denk ik daarbij onvermijdelijk aan de verkiezingen in Amerika, met zijn progressieve steden en het racisme op het platteland van de mid-west. En via dat bruggetje denk ik aan de politieke situatie in Europa.

    Dat verleent toch een iets andere betekenis aan de ‘komende nacht’. En ja, de laatste afdeling in de bundel heet dan ook ‘Barbaar van na Auschwitz’. Toch keert hier dat thema van de eigen dood weer terug, in ‘Overvolhoofdige tegenvoeter’:

     

    Hij komt vol, het bolle hoofd vol

    van zichzelf tegen mijn gedichten in.
    Hij heeft geen idee van wat dat is
     
    zichzelf leeg te maken, leeg te zijn
    voor die gedichten, die liedteksten
    van mij, die vol zijn, niet van mij

     

    Als je gedichten vol zijn, maar niet van jezelf, dan betekent dat dat je iets achterlaat dat los van jou kan bestaan. Ook dat is ‘aftering’: iets vinden dat niet van jezelf is. In Oden voor komende nacht is dat het tegengestelde van barbarij.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2016
    RecensentJoost Baars
    Editie2017-1