Recensies

  • de Lach van de Sfinx

    Frans Kuipers
    de Lach van de Sfinx

    Aan verwondering altijd genoeg 

    Het najaarsnummer van 2020 van Awater bevatte dertien gedichten van Frans Kuipers uit zijn nieuwe bundel de Lach van de Sfinx, die dit voorjaar verscheen. Ze behoren tot de cyclus ‘Stupore is de Sterre van de Zeggezee’ waarvan de gedichten elk een letter uit het alfabet als titel hebben. Datzelfde geldt voor de reeks die de bundel afsluit: ‘Ik wil van stromend water een kloosterkleed, eindelijk weten hoe ik heet’, die eerder in Het Liegend Konijn stond. Ook het lange gedicht ‘Zon nesteen’, dat het middelste deel van de bundel uitmaakt, verscheen daarin. Alle in ietwat andere vorm. 

    Kuipers lijkt door de abc-vorm zijn dichterschap op een rij te willen zetten. Al zijn thema’s komen voorbij. De titel van de bundel geeft de verwondering weer die een belangrijk element is van zijn dichterschap; niets raadselachtiger immers dan een sfinx. Gezien de verwijzingen naar zijn jeugd en zijn leeftijd lijken de abc’s ook een metafoor voor het leven. Kuipers is echter geen dichter die zichzelf centraal stelt: hij schrijft egoloze poëzie. Daarom heeft hij het in het openingsgedicht niet over ‘ik’, maar over ‘iks’, een onpersoonlijke term die hij leende van Sybren Polet. ‘Mens is een menigte, ik is iks en wie ben jij/Jij, ik kan je niet thuisbrengen. Ik wil je ook niet thuisbrengen. Ik wil je in je volle vreemdheid, in je onbegonnen schoenen, stinkend van toeval, nachtmerrie-intact’. In meerdere gedichten worden sterrenhemels, blauwe luchten en wolken beschreven, waarbij vergeleken de dichter zich nietig voelt. Tegelijk maakt hij deel uit van die kosmos. ‘Ik zal dit schrijven/ omdat ik je niet ken en omdat ik van je ben.’ De dichter kan de dingen alleen beschrijven, niet verklaren: ‘Ik, wormenwoord, ben, klemwoord,/ de getuige die niet kan verklaren.’ Daarbij realiseert hij zich dat zijn indrukken vooral voor hemzelf bijzonder zijn: ‘Schrijf niet: dit ondermaanse,/ schrijf beter: dit zondernaamse.// Er zijn dingen en dunkers./ Alle dunkers zijn mijdunkers./ Alle dingen zijn bijzonder mijzonder.’ 

    Uit de gedichten spreekt een enorme behoefte om groots en meeslepend te leven. Dit terwijl de ‘ik’ geen avontuurlijk karakter bezit: ‘Jij die werkelijk, ik die waan’. Toch is hij ‘om niet te versuikerhuizen op weg gegaan’. Hij wil deel uitmaken van de werkelijkheid: ‘het is mijn ambitie in deze wereld te aarden’. Gelukkig schuilt het schone in het gewone – een ander bekend thema van Kuipers: ‘dat bij Doodgewoon inwoont Wonder geloof ik tot ik er dood bij neervallen zal.’ Het toeval speelt hierbij een belangrijke rol: ‘Er is het toeval en er is de fantasie/ maar toeval is fantastischer.’ ‘Eén ogenblik door iets vaags/ en vlugs ten dans gevraagd./ Eén windvlaag/ en een overreden krant die opstaat/ en kopjerollend de hoek omslaat.’ 

    Vanwege de verstilde beelden en alle natuurlyriek is het niet toevallig dat er wordt verwezen naar de klassieke haikudichter Basho: ‘Mijn klein zeil klappert,/ applaus voor de wijde zee/ en de blauwe lucht’. Kuipers in een notendop. De taal is 

    Een aparte plaats neemt het centrale gedicht ‘Zonnesteen’ in. ‘Dit is een geëxplodeerd gedicht’, staat er. Regels waaieren over de bladspiegel als bundels zonnestralen. De titel is ook een verwijzing naar de sfinx die in het oude Egypte de wachter van de zon was. De zon staat uiteraard symbool voor het leven, zij is het ‘hart van ons sterrenstofsprookje’. In dit gedicht belijdt Kuipers opnieuw zijn credo: ‘Ik geloof in de aanmodderende mens/ in de mens die niet weet waar ie aan toe is.’ De balans van het leven wordt opgemaakt: ‘Heb je je gouden kans/ onder de zon goed benut,// vraag der vragen.’ Het antwoord op die vraag is met deze bundel nog niet gegeven: ‘aanmodderen meneer, ik en al wie ik kende/of te kennen meende, ik kom daarop terug.’ Iets om nu al naar uit te kijken. – zoals altijd bij Kuipers – prachtig: ritmisch en vol klankrijm, met bezwerende herhalingen. De bundel staat weer bol van de meest fantastische neologismen: ‘Uit zo een slijkgaperspoel gedroomhaald,/ blauwedagsgedoopt/ en aan alle grillen van het lot onderworpen/ – Wolkenmeester zit jij daarachter?’ In volgende regels heet die grote regisseur achtereenvolgens ‘Sterrenkoning’, ‘Zonalle machtige’ en ‘Zwartegatsgraaier’. 

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2021
    RecensentMathijs van den Berg
    Editie2021-3