Recensies

  • Vervoersbewijzen

    Tijl Nuyts
    Vervoersbewijzen

    Tollen en forenzen 

    Tijl Nuyts’ voor de C. Buddingh’-prijs genomineerde Anagrammen van een blote keizer (2017), was sterk geïnspireerd door de geschriften van de tot het katholicisme bekeerde priester en dichter Gerald Manley Hopkins en het werk van de middeleeuwse Ibn Arabi uit Andalusië. Het is een grote zoektocht van een ik-persoon naar de door taal bevangen personage Kuluri, onder andere omdat in Kuluri’s geschriften een zeker ‘La Última’ te vinden zou zijn. 

    Het debuut is een goed te herlezen zoektocht naar een absolute waarheid in het verraderlijke landschap van de taal: een gedoemde, niettemin troostrijke expeditie waarin men, als je er de persoon naar bent, zelfs enige berusting kan vinden. 

    Ook Vervoersbewijzen doet aan als een zoektocht, zij het een die niet aangevuurd wordt door een overeenkomstige, dwangmatig aanvoelende zucht naar ultieme kennis. De zoektocht in deze bundel is van een meer intellectueel gehalte, en neemt de gedaante aan van een reis. Of preciezer, die van de voet-, auto- en OV-reizen van een reiziger die per afdeling van de bundel niet alleen een andere identiteit lijkt aan te nemen – opeenvolgend die van voetganger, pendelaar, pelgrim, toerist, boodschapper en vagebond –maar zich tevens verhoudt tot de identiteiten van de andere afdelingen. Zo probeert in het gedicht ‘Tawba – Berouw: Centraal Station – Gare Centrale’ van de afdeling ‘Toerist’, ‘de toerist [in de metro] pendelaars te herkennen’. De reizen spelen zich af tegen de achtergrond van een xenofoob, antagonerend en voor extremistisch geweld bevreesd België. De nagalmende angst voor aanslagen klinkt door in de gedichten, alsmede de dito schok die anti-islamitische gemoederen teweegbrengen – ‘Angst zet de dingen op scherp’ lees je in ‘Tawakkul – volledig vertrouwen: aumale’: ‘er zijn er die uitkijken naar een ouderwetse terrorist’. 

    ‘Toerist’ kwam ik overigens al eens tegen in Het Liegend Konijn (2017/1). De ertoe behorende reeks is daar nog niet van krullen ontdaan en interessant is bovendien dat je nog motto’s terugvindt die elk gedicht voorafgaan. Die motto’s zijn citaten uit Omar Benaïssa’s The Degrees of the Station of No-Station, een soefistisch essay waarin Benaïssa zich richt op het begrip ‘station’, dat in de context van de soefi-mystiek van onder meer Arabi een stap is in je spirituele ontwikkeling. Wanneer een soefi spiritueel gegroeid is, moet hij opnieuw beginnen met groeien enzovoorts, tot hij uitkomt bij het paradoxale ‘station of no-station’, dat veel weg heeft van wat men in de Oosterse filosofie verlichting noemt. Benaïssa leest ‘station’ echter ook letterlijk in zijn methodische poging om de beweging richting verlichting onder woorden te brengen. ‘Station’ kan dan ook als treinstation gelezen worden. 

    Het moet haast wel of Vervoersbewijzen is als geheel geïnspireerd door deze greep van Benaïssa. Als je er eenmaal alert op bent, is de bundel doorademd met mystiek. In de afdeling ‘Pendelaar’ is ‘Hij die op de stoel/ van de treinbestuurder zit’ niet louter de machinist die ‘men niet [kan] aankijken’. In het hierboven geciteerde ‘Tawakkul (…)’ betreft ‘het verdwijnen en de zelfvernietiging (fanā’)’ geen daad van zelfmoord(terrorisme), maar de oplossing van het ego. En trouw aan de mystieke weg moet men steeds opnieuw beginnen; ‘Zellik’ uit de afdeling ‘Vagebond’ is zowel te lezen als een flauw poetry slam-gedicht als een overgave zoekende soefidans: veel weg heeft van wat men in de Oosterse filosofie verlichting noemt. Benaïssa leest ‘station’ echter ook letterlijk in zijn methodische poging om de beweging richting verlichting onder woorden te brengen. ‘Station’ kan dan ook als treinstation gelezen worden.

    Contemplatieve oefening: 

    Kijk naar de blauwe deelauto 
    die rijdt en rijdt en rijdt en rijdt en rijdt 
    en rijdt en rijdt en rijdt en rijdt en rijdt […] 
    en [négentien regels verder] rijdt op de rotonde. De auto die smacht 
    naar de volmaakte cirkel en zich wanhopig 
    tracht vast te bijten 
    in zijn kofferbak.

    In Nuyts’ werk kan je als forens de regels herhaaldelijk afgaan om iets nieuws te ontdekken, en als een ‘soefi’ in de verzen blijven rondtollen om na een kortstondig weten in niet-weten te belanden. ‘[T]his station would be the one where the two extremes meet’, zou Benaïssa kunnen zeggen, wijzend naar Vervoersbewijzen – en doordat we nergens aankomen, arriveren we gelukkig wel daar waar een poëzielezer zich thuis weet. 


     

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2021
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2022-1