Recensies

  • In de stille achterkamer

    Marlene van Niekerk
    In de stille achterkamer

    Van de Gouden Eeuw tot nu

    De schilders Adriaen Coorte (ca. 1659-1707) en Jan Mankes (1889-1920) waren geen tijdgenoten, geen regiogenoten – wisten hoogstwaarschijnlijk niet eens van elkaars bestaan. Hun werk ligt evenmin in elkaars verlengde: in compositie-, onderwerp- en kleurkeuze zijn er grote verschillen. Toch zijn ze met elkaar verbonden: Marlene van Niekerk schreef bij twaalf werken van Coorte en veertien van Mankes een gedicht. Querido gaf de bundel In de stille achterkamer uit, een lijvig boek waarin kosten noch moeite gespaard zijn: eerst ziet de lezer links in kleur het schilderij, dan op de rechterpagina het gedicht in het Afrikaans, waarna een Nederlandse vertaling volgt.

    Van Niekerk keek naar de schilderijen, ze keek en keek en keek, totdat ze meer zag dan de gemiddelde kijker. Ze verbond de schilderijen aan herinneringen uit haar jeugd, aan beelden die ze elders zag, bijvoorbeeld bij het schilderij ‘Wyandottehaan met tinnen schotel’: ‘Net zo’n haan had ek as kind, sy kop / moes af want hy’t geskop en gelawaai.’ En ze sluit af:



     

    Toringhoog, in drie spandrelle
    atrament, raam jy die Wyandotte
    soos glimmende gebrandskilderde

    glas in lood. Ek sien hom aantree uit

    my kindertyd en kierts weer hier verskyn,
    sulke rooi by soveel wit in die hart se hoë
    vensterboog, en hoor hom pik, onverdrote,
    onder die ou lateie van die sleutelbeen.


    Wat steeds terugkeert is de stilte die bij het kijken hoort, de stilte die ook de werken van beide schilders typeert: Coorte en Mankes schilderden voornamelijk stillevens en een enkel zelfportret. De dichter gaat in gesprek met de schilders, ze spreekt ze aan met ‘je’ en ‘jou’, verzint anekdotes rond de stillevens, en interpreteert en analyseert de beelden:

    Jou skilderslig het niks te maak met son,
    Met skreef of hort of venstergat, dit is nie
    Van die dag gemaak, of in warmte
    gedoop, maar gedep met iets beskouligks,
    of, eerder, daarin vasgehou (...)


    Ze wil in de gedichten iets zeggen óver de schilders, geeft biografische gegevens, of maakt karakterschetsen, zoals bij ‘Zelfportret met uil’: ‘Geen valkenier, jy met die rare oorskulp / en kalot. (...) Jy speel hy is jou opwenhart wat jy kan opdiep / vir inspeksie (...)’.

    Van Niekerk probeert soms zelfs samen te vallen met de schilder door zijn perspectief in te nemen, niet alleen om te zien wat hij zag, maar ook om te kijken van waaruit hij keek. In een van de fraaiste gedichten uit de bundel kijkt ze samen met de Mankes naar een kraai:

    As ek ooit weer aan die bosrand ’n eenling-
    kraai sien sit, zal ek ’n wye draai loop agter
    om die berkebos, deur die laaste sloot

    en stekels van die wilde braam, en presies
    sy uitsig probeer soek op die son-oorgote
    polder. (...)


    Hoe de schilderijen de dichter vonden en andersom blijft onduidelijk, wat de fascinatie is niet. Van Niekerk schrijft vol bewondering over, aan en met de schilders. Met Coortes blijkt er een historische connectie: hij was tijd- en regiogenoot van Cornelis Gerritsz Nieuwenkerk, een voorvader van Van Niekerk en een van de 63 mensen die protest aantekenden tegen het beleid van de VOC. Als ‘vrijburger’ krijgt hij later een stuk grond in Zuid-Afrika. In een brief aan Coortes schrijft Van Niekerk: ‘Die paar had sestig beeste, sewehonderd skape, agt perde, drie varke, nege slawe in besit.’ Hier steekt Van Niekerk de ruim driehonderd jaar die haar scheidt van Coorte over, en lijkt de huidige tijd niet meer zo veel van de Gouden Eeuw te verschillen. ‘Mijn lot is door mijn huidskleur lichter; mijn taak, bezwaard, was om in enkele gedichten het Diets van het creoolse zuiden met gedeelde touwtjes semantiek te knopen aan jouw schilderijen. Wat pakt men in de kist? Wat rondgaat komt rond, zo schijnt het.’

    UitgeverQuerido
    Jaartal2018
    RecensentKim van Kaam
    Editie2018-3