Recensies

  • Virgula

    Sasja Janssen
    Virgula

    Verschillende soorten regens 

    Een kenmerkend aspect voor de lyriek is de apostrofe: een persoon of instantie die in de taalsituatie wordt opgeroepen en aangesproken, een soort ‘lyrisch je’, tot wie de ik spreekt. In de vijfde bundel van Sasja Janssen (1968), Virgula, is deze apostrofe wel een heel bijzondere ‘aangesproken persoon’. De ‘virgula’ is namelijk een leesteken, de voorloper van de huidige komma. Het Latijnse woord betekent ‘takje’, ‘stokje’ of ‘twijg’ – die naam dankt het teken aan de oorspronkelijke weergave als een Duitse komma of slash (typografisch een rudimentair ‘takje’: /); bij het citeren van poëzieregels in lopende tekst markeert die nog altijd een cesuur. Aan het eind van de middeleeuwen zakte de virgula omlaag, door de regel heen, kreeg ze een ronding en ging ze op onze hedendaagse, gekrulde komma lijken. Ze representeert een pauze, een korte rust. In de context van deze poëzie krijgt dit gegeven een existentiële lading: zolang er komma’s worden geplaatst, is er sprake van continuïteit, stroom, leven. 

    In de bundel richt het lyrisch ik zich tot deze ‘virgula’, die zij herhaaldelijk aanspreekt: ‘ik schrijf je omdat je niet van stilstand houdt, net als ik’. ‘Virgula’ is een meerlagige entiteit: nu eens is zij kwelgeest, dan weer muze, soms duivelin, soms beschermengel. Mogelijk is zij een (goede, persoonlijke) daimon, een totem of atavar. 

    De poëzie in Virgula laat zich misschien het best omschrijven met de term ‘narratieve lyriek’: toon en stijl zijn onmiskenbaar zangerig, zwierig en klankrijk, maar tegelijkertijd valt er duidelijk (veel méér dan in voorgaande bundels van Sasja Janssen) een plot of ‘verhaal’ te ontwaren. 

    De bundel bestaat uit drie afdelingen: ‘Virgula’, ‘Ik roep je aan’ en (nogmaals) ‘Virgula’. Met name de openingsreeks, de eerste cyclus ‘Virgula’-gedichten, is vertellend van aard, er is sprake van een duidelijk aanwijsbaar chronologisch verloop. De centrale afdeling is compacter, ‘duisterder’ (in de zin van moeilijker duidbaar), ‘dichter’ (in de zin van geconcentreerder). In de slotafdeling wordt de narratieve toon van de openingsreeks hernomen. De eerste reeks ‘Virgula’-gedichten speelt in een ‘toen’, een vroeger: late adolescentie en studententijd; de tweede in een ‘nu’, een recent verleden en heden. De ik groeit op in een omgeving die herkenbaar is als Limburg (‘moederskindje dat niet wegkomt uit deze stinkende Peel’). De eerste gedichten van de openingsreeks zijn beklemmend en naargeestig, ze hebben een claustrofobische sfeer. De ik lijkt gevangen in het huis van iemand die ‘de meester’ wordt genoemd, kan daaruit kennelijk niet ontsnappen. Deze meester vertoont archetypische trekken, als was hij de figuur uit een donker sprookje, zoals Blauwbaard. 

    De ik is verstrikt in een ongelijkwaardige relatie met de meester, een afhankelijkheidsrelatie of beter gezegd ‘verslaving’: zij is tot slaaf gemaakt, willoos (bijna een pop of robot). De meester overheerst haar. Hij is pervers, corDe benauwenis en verstikking van die eerste gedichten worden gevolgd door een bevrijdende reis op een motor langs de Indische Oceaan, die de ik voert naar Sri Lanka (de havenstad Galle wordt genoemd, naast Jaffna). Ook déze episode heeft iets van een droom, iets freudiaans of jungiaans, maar nu is het niet zuiver een angstdroom, maar een koortsdroom, een trip door de tropen. De reisgezel van de ik is een jongen met een tenger lichaam, met ‘magere ribben’, misschien wel een plaatselijke inwoner. Ook in deze episode is er sprake van seks, maar eerder excessief en uitputtend (de lust van het land slaat over op het tweetal, ‘besmet’ hen), niet ongelijkwaardig, vanuit een afhankelijkheidsrelatie of ‘verslaving’; de ik zit niet vast, maar is in beweging, ze heeft zich losgemaakt, bevrijd. 

    Er zijn aanwijzingen dat de ik en haar reisgezel vrijwilligerswerk verrichten (‘overdag voed ik wezen rijst met melk en kardemom’; ‘we slaan putten in dorpen’). Ook bevat deze reisepisode referenties aan de cultuur van het Indiase subcontinent: ‘als je een geel kostuum laat maken en een sitar koopt van een brahmaan’; ‘we omrandden onze ogen met kohl’. 

    De prachtige, intrigerende regel ‘er vallen verschillende soorten regens door elkaar’ is een intertekstuele verwijzing naar de scheppingscyclus in de mythologie van de jaïns, een zeer oude Indiase sekte. De jaïns, wier symbool de swastika is, hebben een cyclisch tijdsbeeld: na een reeks van ‘dalende’ tijdperken (verval) volgt een ‘stijgende’ reeks: zeven dagen lang zal het regenen en er zullen zeven verschillende soorten regen vallen. En dan zal er een verlosser geboren worden. Héél betekenisvol dus, deze ‘verschillende soorten regens’. Pas op de motor diep in Sri Lanka is de ik vrij (‘we droegen onze lust licht’) en boort zij nieuwe bronnen van leven en liefde aan – slaat zij met haar reisgezel waterputten in de dorpen die zij passeren. rupt, arrogant en decadent, en doet denken aan een ziekelijke aristocraat of een van de fascistische leiders in een afgelegen villa in Salò of de 120 dagen van Sodom van de Italiaanse filmmaker Pasolini, naar het werk van Markies de Sade (van wiens naam het woord ‘sadisme’ is afgeleid). Hij wordt geassocieerd met commando’s, hiërarchie en heerszucht, sigarettenrook: ‘de meester die zijn Dunhill-vingers in mij doopt’; ‘zijn gele vingers schenken champagne voor mijn terugtocht door de velden’, gevolgd door de omineuze regel: ‘niemand mag ik het zeggen’. 

     

    UitgeverQuerido
    Jaartal2021
    RecensentWillem Thies
    Editie2021-3