Recensies

  • Gedichten 2

    Yahya Hassan
    Gedichten 2

    Een poëtisch machinegeweer

    ‘(..) mijn eigen mond beschermt mij niet/ mijn kont houdt mij niet bijeen’, besluit de Palestijns-Deense Yahya Hassan (1995-2020) het elf pagina’s tellende gedicht ‘democratuur’, waarin hij kritiek levert op de samenleving en de hypocriete systemen die eraan ten grondslag liggen – de islam, het vluchtelingenbeleid, de politiek –, de politie en zijn eigen rol in het geheel. Kortom: zo’n beetje alles in zijn leven waarmee hij overhoopligt. Dit is slechts één van de wilde tirades bijeengehouden door woede in zijn laatste bundel Gedichten 2. In die laatste twee zinnen ligt een pijnlijke waarheid besloten.

    Hassan overleed op 29 april van dit jaar op 24-jarige leeftijd. De doodsoorzaak werd niet bekendgemaakt, maar houdt vermoedelijk verband met zijn drugsgebruik en zijn psychische aandoening. 

    De dichter werd in 1995 geboren in een groot gezin in een achterstandsbuurt in Aarhus. Zijn Palestijnse ouders waren naar Denemarken gevlucht. Op zijn dertiende ontpopte hij zich tot probleemjongere die zich bezighield met diefstal en drugsgebruik. Hij werd uit huis geplaatst en kwam in een instelling terecht. Daar ontwikkelde hij een liefde voor literatuur en begon hij met dichten. 

    In 2013 debuteerde hij met de spraakmakende bundel Gedichten, waarin hij kritiek levert op onder meer de Islam, zijn familie en dan voornamelijk zijn vader die zijn moeder slaat om vervolgens met uitgestreken gelaat de moskee te bezoeken. Na het verschijnen van zijn debuut was hij zijn leven niet meer zeker en moest hij zelfs worden beveiligd: ‘ik heb al een kogelvrij vest onder mijn jas/ sinds het jaar 2013/ geloof mij ik ben er flauw van/ de lucht is smerig als stierenzweet/ en ik word opgejaagd als een geit’, dicht Hassan in Gedichten 2.

    In het geval van Hassan is er weinig onderscheid tussen biografie en poëzie. Of zoals hij zelf de keuze voor zijn (eveneens) weinig enigmatische titel Gedichten toelichtte tijdens een interview in Spui25 in 2014: ‘Dit zijn gedichten over mijn leven, mijn gedachten, ervaringen. Ik heb de dingen opgeschreven zoals ik ze me herinner. Niets is honderd procent “waar”. Het is mijn manier om het te verwoorden en mezelf te uiten.’ Oftewel: het is wat het is.

    Hassans waarheid is een ongemakkelijke, zeker voor de linksgeoriënteerde cultuursector: De islam hangt van hypocrisie aan elkaar en vormt een bedreiging voor het verlichte westen. En: de multiculturele samenleving is een mislukking. In Gedichten 2 doet hij verslag van de wijze waarop zijn leven verliep na zijn debuut; hoe hij werd omhelsd en verguisd door het publiek (‘Knuffelallochtoon’), hoe extreemrechts met zijn islamkritiek aan de haal probeerde te gaan, wat zijn roem voor hem betekende, hoe hij in de gevangenis en in een inrichting belandde (‘Theedoekpsychose’). In zijn gedichten doet Hassan verslag van de gebeurtenissen in zijn leven en de zintuigelijke en metaforische gedachten die hij daarbij heeft. Soms zelfs met een bitter gevoel voor humor. Hij dicht, net zoals in zijn debuut in kapitalen, alsof hij schreeuwt: hoor mij!

    Een vergelijking met een tierende Johnny The Selfkicker (Johnny van Doorn) is al snel gemaakt, maar gaat mank op het podium. Hassan klinkt eerder als een muezzin die oproep doet tot het gebed: Zijn voordracht is een aaneenschakeling van monotone, opsommende, aaneengeregen zinnen. Hij bekrachtigt zijn boodschap door te refereren aan de oproep tot het gebed en daarmee een stijlmiddel aan de bron van zijn kritiek te ontlenen. De wijze van voordracht vormt een belangrijk onderdeel van zijn kritiek op de Islam. Door de gedichten alleen op papier te lezen, mis je de helft. 

    Het is jammer dat de oorspronkelijke, Deense gedichten niet in de in het Nederlands vertaalde bundel zijn opgenomen. De overwegingen die aan die keuze ten grondslag liggen zijn helder (de meeste Nederlanders spreken geen Deens en de bundel wordt te lijvig = te duur), maar omdat Hassan veel gebruik maakt van halfrijm en alliteratie, zou het fijn zijn om de klanken te kunnen vergelijken met die van de oorspronkelijke tekst, zoals in het gedicht ‘gek’: ‘ik heb iets verloren/ maar ik heb tenminste wat gehad/ het sap en het merg ergens uitgezogen/ zonder genade/ ik heb geknaagd en gemaakt en gestroopt (..)’ Hier is sprake van binnenrijm (wat-gehad-sap; merg-ergens) gevolgd door die allitererende reeks woorden die begint met een G. 

    De bundel roept wel de vraag op hoe de vertaling zich tot het origineel verhoudt. Zou deze jonge millennial ‘van de straat’ woorden als ‘jointje’ of ‘bendeconflict’ bezigen? ; een soort anomalieën binnen het rauwe en harde taalregister dat de dichter aanspreekt. Hassan vuurt zijn zinnen als mitrailleurschoten op de lezer af. Maar zijn gedichten zouden geen indruk maken als de toon alleen hard zou zijn. Gelukkig gaan onder dat harde pantser van tomeloze woede ook kwetsbare woorden schuil. Hij besluit de bundel met: ‘ik ben een literair vliegdekschip/ een poëtisch machinegeweer/ boetes hechtenis en gevangenis hebben geen vat op mij/ niet omdat ik ongeschikt ben voor straf/ maar omdat ik er te geschikt voor ben’. Woorden die nog lang na blijven zinderen. 

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2020
    RecensentDieuwertje Mertens
    Editie2021-1