Recensies

  • Voor permanente bewoning

    Anna de Bruyckere
    Voor permanente bewoning

    Hoe te leven?

    Het is een gewaagde zet, je poëziedebuut beginnen met een gedicht getiteld ‘Het maakt niet uit.’ Anna de Bruyckere (1987) doet het in Voor permanente bewoning. Het lijkt een wat defaitistisch vertrekpunt voor wat verder een maatschappelijk betrokken en zorgvuldig geconstrueerde bundel is die aanzet tot nadenken. Het is poëzie die geen antwoorden geeft, maar je vragen wil laten stellen. En dat maakt wel degelijk uit. 

    De bundel bestaat uit drie afdelingen met een wisselend aantal gedichten die met uitzondering van het openingsgedicht op één pagina blijven. Een belangrijk thema is de vraag hoe te leven, blijkens de cycli ‘Leefregels voor een leven dat zich niet laat lijden’, ‘Leefregels voor een leven dat zich niet laat leiden’ en het gedicht ‘Zelfkennis’. Het titelgedicht ‘Bouwtekening’ is een beschrijving hoe ‘je’ de architect is van het zelf: ‘Tot je een gedegen kasteel, een geheel vernieuwde koning -/ tot je de meesterbouwkundige geworden bent/ die in je krochten huist// je krochten geschikt/ voor permanente bewoning.’ 

    Toch is dit is geen in zichzelf gekeerde bundel, en de thematiek is niet eendimensionaal. De tweede afdeling ‘Eilanden’ gaat over vluchtelingen (De Bruyckere heeft een aantal jaar geleden als vrijwilliger geholpen in een vluchtelingenkamp op Lesbos). Er wordt kritiek geuit op wegkijken, en de dichter geeft woorden aan een gevoel van onmacht en ongeloof. Ook schuldgevoel: ‘Want ik weet wel/ ik blijf niet en vanavond slaap ik/ onder geborduurd katoen, droge wol// drie bordercollies voor een nog nagloeiende haard/ eigen badkamer aan de andere kant van de deur/ glanzende wangen, jas aan de haak.’ Deze gedichten geven de titel van de bundel extra betekenis. 

    De Bruyckere beheerst meerdere registers en stemmen. Een aantal gedichten is toegankelijk en biedt afgeronde poëtische plaatjes. Spannender zijn de gedichten die het denken op scherp lijken te willen zetten. Het openingsgedicht is kenmerkend daarvoor: ‘Wees als water, denk je./ Water stroomt, verdampt, verwaait, slaat elders neer./ Het verdwijnt dan wel niet maar zo kom je/ tenminste nog ergens. (…) Veranderen doet het niets, hoor./ Dat leer je uiteindelijk wel.’ Tijd en perspectief worden gemanipuleerd waardoor de lezer telkens op een ander been wordt gezet en er een spanning ontstaat die niet opgelost wordt. Wie spreekt hier, op welk moment? Valt er nog wat te leren of is het te laat? Wil de spreker verdwijnen of juist niet? Ondanks het antwoord dat de laatste strofe lijkt te bieden (‘Dat je staat voor ik.’) eindigt het gedicht met de waarschuwing ‘Dat alles in feite een spel is, een mop –’ waardoor we uiteindelijk toch met lege handen achterblijven. Het gedicht wordt dan ook niet afgesloten door een punt, maar eindigt met een liggend streepje. Er ontstaat een zekere aporie bij de lezer. Hier worden geen kant-en-klare boodschappen geboden maar een startpunt voor bevragen, voor onderzoek. Het motto van Mary Oliver voorin de bundel valt hier mooi op zijn plek: ‘I want to step through the door full of curiosity, wondering:/ what is it going to be like, that cottage of darkness?’ 

    De Bruyckere versterkt de ambiguïteit in haar poëzie door effectieve enjambementen en woordassociaties: ‘En ik lig en lig maar, lijk// in niets op wie ik eigenlijk wil zijn:/ een persoon, die het leven leidt/ dat mij ontgaat.’ Door het spel met (dubbele) betekenissen wordt er meer gesuggereerd dan er staat. Op sommige plekken zijn de sprongen echter te groot en boet een gedicht aan zeggingskracht in doordat de beelden erg disparaat zijn. In de krachtigste gedichten doet de poëzie wat zij moet doen: ‘poëzie maakt alles zacht. Stroopt af, uiteindelijk/ als je haar laat. Schopt het wankelen/ onder je vandaan// zodat je valt/ met open knieën op kunt staan.’

    UitgeverCossee
    Jaartal2020
    RecensentAnne ter Beek
    Editie2021-1