Recensies

  • Overstekend wild

    Herman Leenders
    Overstekend wild

    De leemte tussen ons

    Ook als je graag en veel leest, mis je wel eens iets. Wat heet: soms gaat er een heel dichterschap onder je radar voorbij. Geheel aan jezelf en niet aan de betreffende dichter te wijten natuurlijk, dus al met al: shame on me. Tot je een gedicht tegenkomt dat je alsnog een oeuvre intrekt. Herman Leenders debuteerde als dichter al toen ik de middelbare school nog moest afronden, en publiceerde sindsdien vijf dichtbundels en drie prozawerken. Zijn werk werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs en de Hugues C. Pernathprijs. Toch kwam ik pas verleden jaar voor het eerst een gedicht van hem tegen waaraan ik bleef hangen. Was het in Poëziekrant, Hollands Maandblad of Het Liegend Konijn? Ik weet het eerlijk gezegd niet meer, maar het is ongetwijfeld opgenomen in zijn nieuwste bundel: Overstekend wild. Waarschijnlijk was het ‘We waren vloeibaar’, een van de meer raadselachtige en autonome gedichten in de bundel, waarin niet zo zeer de elegante enumeratie fascineert, als wel de onbeantwoorde vraag wie ‘we’ nou eigenlijk zijn:

    Je kon ons in vazen of kruiken gieten
    in glazen of flessen
    we vulden moules en holtes
    alle scherpe hoeken moeiteloos

    we waren rood als wijn
    doorzichtig als water
    zacht als deeg
    we waren melk of pap

    bloed of slijm
    stolden of smolten
    bevroren en ontdooiden
    stonden stil of stroomden

    zogen als een spons
    zwollen en liepen leeg
    als verloren was
    vulden wij de leemte

    tussen ons


    ‘We’ konden blijkbaar elke vorm aannemen die past, en zo ‘vulden wij de leemte// tussen ons’. Prachtig invoelbaar, sure, maar vooral spannend doordat we als lezer achterblijven met een handvol losse eindjes rondom wie ‘we’ nou eigenlijk zijn, en wat er zich ‘tussen ons’ afspeelt of heeft afgespeeld. Kan ook zijn dat het het tweeluik ‘Verboden terrein’ was dat ik gelezen had: zestien plus dertien regels, eerder afgedrukt in Het Liegend Konijn, waarin iemand tweemaal onverwachts een ree tegenkomt, en waarin je als lezer het immanente belang van die ontmoeting(en) kunt aanvoelen, maar de dichter in zijn beschrijvingen voldoende ruimte overlaat om de spannende vraag achter te laten: waarom, eigenlijk?

    Getuige de flaptekst vormde de ontmoeting met de ree de aanzet voor de bundel, en bracht dit gedichten voort ‘die zijn ontstaan op plaatsen en momenten waar de wegen van mensen, dieren en goden elkaar kruisen’. Gecombineerd met het werkelijk prachtige beeld op de omslag wekt dit nogal wat verwachting, en inderdaad: in met name de eerste van de drie afdelingen wordt die verwachting ingelost.

    Leenders weet daarin een zacht soort menselijke betrokkenheid fijnzinnig te combineren met precies genoeg bovenmenselijke mysterie. Iets soortgelijks, maar dan historisch ingebed, kan gezegd worden van de tweede afdeling, die geheel tot stand kwam naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Toch lijkt de dichter zich hier iets meer te bekommeren om zijn concrete onderwerp dan om het avontuurlijke geheim dat zijn woorden teweeg kunnen brengen. Dit geldt nog sterker in de derde afdeling, die geheel gevuld is met gelegenheidsgedichten die Leenders schreef als stadsdichter van Brugge. Binnen hun context hebben deze gedichten ongetwijfeld hun effect gehad, maar Overstekend wild was er een sterkere bundel op geworden als hij ze een andere plek had gegund, in een separate bundel. Het is enigszins teleurstellend om een dichter die je eerst betovert met mythische en amoureuze spinsels zijn bundel te zien afsluiten met tamelijk eenvoudige lofliederen op bijvoorbeeld zijn stadsdichtersvoorganger of de sportieve prestaties van zijn stad. Leenders beheerst meerdere registers tot in zijn vingertoppen, zoveel is duidelijk. Ik ben benieuwd naar zijn volgende, en vorige bundels, om te zien op welke kant het kwartje wat mij betreft valt.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2020
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2020-3