Recensies

  • Precieuze mechanieken

    Erwin Mortier
    Precieuze mechanieken

    Hachelijke sjamaan van het onverwoorde

    Het proza van de Vlaming Erwin Mortier is mooi, beeldend, prachtig van taal maar het is mij soms ook te gemaniëreerd, te veel louter schoonheid, te Proustiaans. Met die gedachte vreesde ik zijn dichtbundel, waarvan de titel zijn verfijnde schoonheidsaanbidding niet onder stoelen of banken steekt: Precieuze mechanieken. Maar in zijn gedichten stoorde mij Mortiers preciositeit toch minder dan ik dacht of misschien moet je zeggen: poëzie verdraagt het precieuze beter.

    Precieuze mechanieken is een rijke bundel, met gedichten over Mortiers achtergrond, maar ook over de zinderende schoonheid, kracht en verschrikking van de middeleeuwen, met een paar curieuze aanroepingen van de zon, met een moeder die haar zoon toespreekt, en zelfs: hoe moeten we omgaan met onze wereld? Maar uit alles spreekt toch één geluid, dat van de schoonheidszoeker, de taalmagiër. ‘Van spreken ben ik het sacrale sacrament’ heet een afdeling en dat zegt, met die ietwat overdadige alliteraties, wel wat: het moet, het is een heilige plicht. Wie komt daar in deze cynische, ongelovige tijd nog om?

    Tegelijkertijd keert Mortier zich tegen het kale experimentalisme van veel van zijn pennenbroeders die wat hem betreft de literatuur hebben bedorven en die hij noemt ‘de oncologen van de powetiek, chirurgen die menen/ dat een vers door het theoretisch te kortwieken als vanzelf de juiste banen zal beschrijven’. Dat is wel echt een boze cliché-opvatting van het experiment, maar je snapt het uit de mond van de pure estheet die Mortier is en die hij ook wil uithangen.

    Overigens ben ik niet ondersteboven van al die poëtische plaatsbepalingen, Mortier is op z’n best als ie gewoon z’n gang gaat en zich niks van de anderen aantrekt. Hij weet dat hij een uitzondering is, de wereldafzijdige kunstenaar in zijn eigen bubbel: ‘Eigenlijk schrijf ik liever aan de hoek van de keukentafel/ terwijl de anderen zitten te keuvelen.’ In zekere zin is dit confessiepoëzie: ik zal eens laten zien wie ik ben en wat er in mij omgaat.

    Maar het puurst is deze dichter toch als hij niet wordt dwarsgezeten door zijn omgeving. Het lange, kleurige ‘Middeleeuwen’-gedicht ‘Uit het breviarum van Margaretha van York, landvoogdes der Nederlanden, “Bien taillée pour avoir génération de prince du pays’ is er het kleurige, pulserende voorbeeld van. ‘Groote God, die Middeleeuwen! Ja, ik moet er ook naar toe. Dat is mijn land’, riep Lodewijk van Deyssel bij het lezen van Huysmans en dat lijkt ook voor Mortier te gelden, een tijd van directe beleving, van geloof in dingen, van onvoorstelbare angsten ook, eigenlijk een onintellectuele tijd. Het moet voor dit soort schrijvers een soort utopie zijn, een epoche waarin nog kritiekloos geloofd werd:

    O zoon die nu verhuisd is van bijbels
    naar catalogi, van tong naar blik.

    In de shop zijn theemokken
    met Uw naam te krijgen, alsook

    legpuzzels Uwer ledematen.
    De gids legt verveeld uw symbolieken uit

    voor schooljongens die aan oorlog
    denken of onanie.

    Enzovoort. Het is niet moeilijk om Mortiers gedichten als een soort cultuurkritiek te lezen, als een uiting van verveling met onze eigen tijd. Ik heb daar niets op tegen, al is het ook escapisme, maar ook niks op voor. Als het maar goed gedaan is, en dat is het. Mortier heeft er het juiste, soms pathetische dan weer ingetogen jargon voor: ‘wat anders kan een Mens behelzen dan een zuur/ bord soep vol knoken, een dwaas recept/ uit de potten van een dolle kolk’ maar ook: ‘Laat weer de cirkelgang der diepste harmonieën zingen,/ verdrink ons in uw zachte waanzinwaden// en laat ons weg uit alle weten gaan.’ Die laatste zin, is, onder voorbehoud, misschien wel een credo van Mortier.

    Ik lees Precieuze mechanieken, met zijn laat-negentiendeeeuwse associaties, als een ode aan een vergane wereld die nog steeds mooie beelden oplevert. In dat opzicht is het ook een romantische bundel vol heimwee en je-ne-sais-quoi sensaties. Mortier weet ook wel dat de middeleeuwen gruwelijk waren en dat onze eigen tijd er niet veel beter aan toe is maar hij heeft besloten er toch vooral de schoonheid van aan te roeren. Dat is het wezen van de ware estheet, schoonheidsaanbidding tegen beter weten in.

    In de laatste afdeling laat Mortier zijn overleden moeder spreken, aan wier aftakeling hij ook al een roman wijdde; het levert de meer speelse, of moet ik zeggen Vlaamse kant van zijn talent op met ‘Pythagoras ligt met zijn piet te spelen/ op de pelouse, de vuilaard’ of ‘Beethoven zit met zijn dove kop vast/ in de vulva van de grammofoon.’ Hier verwoordt hij een soort boertig ruwe omgang met de cultuur die hem zo te zien uitermate fascineert maar waar hij, de estheet pur sang, volkomen aan is ontgroeid en die hij nu met verbazing beziet. Gelukkig maar, we hebben al genoeg boertige dan wel experimentele schrijvers uit Vlaanderen.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2020
    RecensentRob Schouten
    Editie2021-1