Recensies

  • Vliegtuigmagneet

    H.H. ter Balkt
    Vliegtuigmagneet

    Vette klinkers

    De eerste zin van ‘Erger nog’, het openingsgedicht van Vliegtuigmagneet, de nieuwe bundel van H.H. ter Balkt, is een citaat: ‘“Erger nog, Nederland begint zijn kracht / te verliezen,” karmiakt een manifest uit Nul 4’.

    Zo’n citaat zou terug te vinden moeten zijn, en inderdaad: de zin is afkomstig uit een manifest dat eind 2004 (‘Nul 4’) in de landelijke dagbladen verscheen onder de titel ‘Nederland. Niet kapot te krijgen’. Vakbonden en andere verlichte groeperingen als de FNV, CNV, Humanitas en Novib wilden met deze oproep een tegenwicht bieden aan de kille wind die op dat moment, na de moorden op Fortuyn en Van Gogh, door Nederland woei. Het tegengeluid was opgetrokken uit zinnen waarin de muzikaliteit ver te zoeken was: ‘Er zijn altijd mensen die de schuld van alles en nog wat aan een ander geven. Misschien omdat dat het makkelijkst is. Maar van wijzen wordt niemand wijzer.’ Precies: ‘karmiakken’ – ‘klagen’ in het Twents, de taal van Ter Balkts geboortegrond, is hiervoor het juiste woord.

    Tegenover de dunne retoriek van het manifest zet Ter Balkt een concreter beeld: een naargeestige ansichtkaart van Nederland (‘koude wind over de waterzuivering/ aan de Zwartewaterallee bij de nertsfarm’) om vervolgens enkele eeuwen terug te springen naar de Engelse aartsbisschop Henry Chichele (1364-1443) die koning Henry V ervan wist te overtuigen zich in een oorlog met Frankrijk te storten. Een grote beweging in de geschiedenis, in gang gezet door één enkele man, terwijl er nu niets van hem rest dan een graftombe in Canterbury en een lemma op Wikipedia.

    Om het nivellerende effect van de tijd extra te onderstrepen, sluit Ter Balkt af met een strofe over een in 2004 op het strand van Katwijk aangespoelde maanvis. Maanvissen zijn plompe, oeroude beesten die gemiddeld 1.80 meter groot worden; hun ogen liggen aan weerszijden van hun kop als kiezels in de blubber:

    maar zijn oog
    dat niet langer leefde bleef, wijdgeopend
    nog altijd menselijk en bijna levend kijken.

    Wat betekent het aanspoelen van zo’n machtige vis? Dit gebeurt óók, lijkt Ter Balkt te willen zeggen, als een aantekening bij de golfslagen die de mens met trappelende benen en wapperende handen in de tijd veroorzaakt.

    We zijn vierhonderd woorden verder, en dit is pas het eerste gedicht van deze weldoorvoede bundel, terwijl er vast nog veel meer over de drie strofes van ‘Erger nog’ valt te zeggen; drie strofes die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben, maar die in Ter Balkts schitterende taal een volkomen logische samenhang krijgen.

    Ter Balkt is een wandelende 100-delige encyclopedie in wie ideeën, beelden en gebeurtenissen gisten en pruttelen tot ze in nieuwe samenstellingen opborrelen en een gedicht vormen. Donker als de oersprookjes van Grimm en vrolijk op de sinistere wijze van Alex van Warmerdam klost hij op zevenmijlslaarzen door de geschiedenis, een procédé dat we kennen van zijn beroemde ‘Laaglandse hymnen’.

    In 2003 werden hier drie delen van gebundeld, in Vliegtuigmagneet zijn twaalf nieuwe opgenomen. De dichter schiet van de Tweede Wereldoorlog met onder andere het huiveringwekkende tweeluik ‘Zwarte wagens’ (‘Vol uitrijdend keerden/ wagens leeg weer. Aardedonkere/ wagens en sneeuw; zwarte wagens’). Hij neemt ons naar het jaar 1313 en de martelaar Stefanus, en verfoeit onderweg de uitvinding van de insecticide DDT.

    Ter Balkt brengt in zijn poëzie de grote en kleinere gebeurtenissen uit de geschiedenis samen en presenteert ze zó dat ze moeiteloos samenvloeien met de moderne tijd. Want veel verandert er uiteindelijk niet, is de onderliggende conclusie van veel van de gedichten. Zoals in ‘Het Nederlandse paviljoen op de Expo2000 in Hannover’: terwijl de dichter zich aan een metershoge stellage vergaapt, staat een paard ernaast kalm te grazen en peinst Ter Balkt:

    Ooit was gene zilveren tetradrachme,
    geslagen vóór Christus in Athene,
    even duizelingwekkend nieuw en prachtig.

    Bij al het bij voorbaat gedoemde streven van de mens staat de natuur onbewogen toe te kijken, in de vorm van mistige landschappen, koeien, een starende maanvis:

    Uit water en spijt bestaat de mens altijd.
    En altijd star-oogt op de munt een uil.

    Opnieuw bewijst Ter Balkt dat hij een unieke plaats inneemt in de Nederlandse letteren. Zijn gedichten zijn vol en rijp, gevat in een taal waarin de klinkers vetter lijken te klinken dan die van zijn collega’s, alsof hij de woorden maximaal weet uit te buiten. Magisch. Ontroerend. Vitaal. Maar dit zijn armoedige loftuitingen die de kracht van deze poëzie nauwelijks benaderen; beter is het om die zelf te ervaren.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2011
    RecensentJasper Henderson
    Editie2012-1