Recensies

  • Als ik als eerste aankom

    Nachoem M. Wijnberg
    Als ik als eerste aankom

    De beweging tussen het ik en de buitenwereld

    De nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg zit vol beweging, vooral in de ruimte, maar ook in de tijd. Die beweeglijkheid zit in de inhoud, in de variaties op het thema, alsof de dichter danst en musiceert in zijn verzen, maar ook in de vorm. Want in heel wat gedichten verspringen de versregels. Er is ook sprake van het huis en van het eiland. Dat zijn twee plekken waaruit alles vertrekt en waar naar teruggekeerd wordt.

    De filosoof Hegel heeft het over de ruimtelijkheid van het subjectdenken: hij onderscheidt een ‘algemeen ik’ dat ziet, terwijl er binnen dat ‘algemene ik’ verschillende ‘ikken’ zijn die de dingen achtereenvolgens waarnemen. Hegel noemt dat een buiten zich treden: het zelfbewuste ‘ik’ doet een beroep op iets buiten zichzelf om zich van iets bewust te kunnen worden. Opvallend binnen de visie van Hegel is dat het denkende subject niet buiten zichzelf geraakt, ook al onderneemt het pogingen daartoe. Wat ‘buitenwereld’ genoemd wordt, maakt deel uit van het denken. Misschien wil Wijnberg in Als ik als eerste aankom ook wel een beweging maken van binnen naar buiten en omgekeerd, precies om het ‘ik’ buiten zichzelf te laten geraken, terwijl hij beseft dat er niet aan te ontkomen valt. De mooie cover van de bundel zorgt al voor een aanzet om te bedenken dat het Wijnberg te doen is om de beweging tussen het ‘ik’ en wat erbuiten ligt. Hoogst uitzonderlijk voor een poëziebundel zien we namelijk een portretfoto van de dichter op de cover, terwijl we die op de achterflap zouden verwachten. Is het een speldenprik in de richting van de egoen emocultuur waardoor onze maatschappij beheerst wordt? Als we Als ik als eerste aankom lezen, worden we niet bepaald overstelpt met anekdotes uit de persoonlijke levenssfeer of met confidenties die de lezer een emotionele band met de dichter moeten doen krijgen. Wijnbergs poëzie staat gelukkig voor anders en beters garant.

    De beweging in de ruimte én in de tijd en de poging om als subject buiten zichzelf te geraken door iets anders te doen, zien we bijvoorbeeld in het gedicht met de lange titel ‘Je krijgt van alles cadeau en er was niemand beter geweest om het aan te geven’, waarin hij het heeft over een man die een jaar alleen was op een eiland: ‘Je wilt van hem horen/ wat er op het strand aanspoelde,/ takken van wat voor bomen/ en aan welke kant van het eiland stond hij toen?// Je bent zo goed/ in er achterkomen wat nodig is/ voordat iets kan gebeuren en je kunt het in je eigen tuin uitproberen.’

    Het is misschien een merkwaardige bedenking, omdat Wijnberg een ander beeldenarsenaal hanteert en zijn gedichten op een andere manier opbouwt, maar ik denk dat er een historische lijn van de Vijftigers naar het werk van Wijnberg te trekken valt . Net als de Vijftigers, maar dan anders, creëert Wijnberg een lichamelijke ruimte in zijn gedichten. Zeker in deze bundel. Rodenko beschreef het ‘lichamelijke gedicht’ van de Vijftigers als een ‘zoeken naar een nieuwe zuiverheid, een taal die niet gevoed wordt door abstracte vaardigheden, maar een zintuiglijke precisie nastreeft.’ Precies op dat punt zie ik een parallel. Want naast het bewegen in de ruimte, dat in deze bundel zo’n bepalende rol speelt, wordt er ook scherp geobserveerd en wordt er over die observaties nagedacht. En worden er mogelijkheden overwogen, zoals in ‘Dat mag ook/ Bloemen’: ‘Geef hem een boek/ over bloemen/ en dan kan hij uren blijven zitten,/ de bladzijden omslaan,/ op zoek naar die/ waar hij een volgende keer/ het langst naar kan kijken.// Ik heb iets gezien/ wat mij liet denken/ dat het misschien mogelijk is/ iets te maken/ wat in de lucht blijft hangen.’ Het Hegeliaanse anders-zijn en buiten-zich-zijn worden in deze bundel sterk geëxploreerd. Zoals in ‘Troje’: ‘Elke dag kiezen/ wie ik wil zijn,/ een van de Grieken/ of een van de Trojanen.’ Je kan ook anders zijn door iets anders te doen dan je gewoon bent, zoals in ‘Mag ik hier zitten’, waarin het dichterlijke ik verder nadenkt nadat hij iemand in de metro op een paraplu zag leunen: ‘ Toen je een kind was/ met een paraplu/ het enige waar je mee mocht doen/ wat je wilde,/wat zou je er nu mee kunnen doen?// Staande in slaap vallen,/ leunend op een paraplu,/ in de metro die stilstaat, hoog boven de grond.// Wachten tot een andere trein/ voorbijgereden is,/ geluid van regen, daarna verder.’

    Dit is geen poëzie die de manier waarop taal de werkelijkheid kan vatten in vraag stelt. Daarom is dit geen postmoderne poëzie. Hij weert metaforen, maar observeert heel nauwkeurig, als een wetenschapper. En met de nieuwsgierigheid van de filosoof, die op zoek gaat naar de plaats van het ik in deze tijd. Daarom is Als ik als eerste aankom een bundel die je moet gelezen hebben als je zelf je plaats in deze werkelijkheid wil bepalen.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2011
    RecensentPaul Demets
    Editie2012-1