Recensies

  • Leegte lacht

    Tonnus Oosterhoff
    Leegte lacht

    Aapje Pietje gooit met poep

    De boot is verkocht,
    de ligplaats vergeven,
    maar de hond is aan boord.

    Aan boord is de hond nog.

    Met deze regels eindigt Leegte Lacht, de nieuwe bundel van Tonnus Oosterhoff. Het is niet het enige gedicht dat eindigt met een chiasme in de laatste regels, of met een opvallende gevarieerde herhaling: “Doe maar niet.//Doe maar niet, schat.” “(...) De stomdronken dwerg is de sterkste./Het sterkst is de stomdronken dwerg.” “De ongeneeslijke genezer, die niet geneest.”

    Zulke formules lijken een soort afhechtingen te zijn, tegen de achtergrond van het flarderige karakter dat de gedichten voor het overige in hoge mate doortrekt. Een gedicht heeft bijvoorbeeld deze eerste strofe:

    Het meisje gaat het vlees snijden.
    De jongen doet de deur dicht.
    Wil jij in een hotel verblijven?
    Hij gaat de tafel verplaatsen.
    Wij willen aanraken.

    En zo gaat het nog drie strofen door, steeds vijf simpele regels van telkens één banaal kort zinnetje, tegelijk maar al te herkenbaar, en zonder dwingend verband. Flarden, het banale leven, ritmisch secuur opgediend in glimpen, die voorbijtrekken zonder veel sporen na te laten.

    Jeroen Mettes omschreef ooit het metrum van een tekst als een “ritmisch gezicht”, en voegde daar aan toe: “Ik ben uiteindelijk misschien meer geïnteresseerd in de tics van het gezicht.” Het is vreselijk jammer zijn Dichtersalfabet nooit tot de O van Oosterhoff is gekomen, want bij deze formulering moet ik vaak aan diens poëzie denken. Oosterhoffs teksten lijken inderdaad soms helemaal uit zenuwtics te zijn opgetrokken. Onwillekeurige gedachten en observaties, kleine zinloze gebeurtenissen, dingen die je opschrijft omdat het lichaam die dingen nou eenmaal doet, omdat ze de taal vormen die het toevallige zoemen van je neuronen voortbrengt. Alsof ze zijn opgeschreven om tenminste gediend te hebben als poëtisch materiaal, omdat ze anders alleen maar zouden verdwijnen. En de resulterende poëzie doet dan verslag van dit blinde rondvoelen van ons dierlijke mensenleven:

    Wartaal is waarheid, wie kijk je aan?
    Ik ben, en dan houd ik erover op ook,
    verdwaald in de anekdotische woning.

    Het anekdotische bij Oosterhoff staat mijlenver af van de ‘anekdotische poëzie’ als toegankelijke tegenhanger van hermetische, moeilijke poëzie. Bij Oosterhoff is juist het anekdotische datgene dat verwart, waar je in verdwaalt, dat je steeds ontglipt. Met dat ontglippen gaat deze poëzie steeds een krachtmeting aan:

    Opeens kan ik weer goed en veel lezen,
    de galligheid is terug, de eerzucht, de verlegenheid.
    Mijn geheugen wordt elke dag beter:
    ik zie het kind zo helder,
    ik kan er mijn haar haast in kammen.
    De toekomst verstrooit het niet meer.

    en alle kinderen verloren
    stroomden opeens onderlangs

    Ik onthoud Hölderlin weer, ik leer Russisch.
    Wel vallen veel dingen van de plank
    als ik ze terugzet.

    Precies op het moment dat de dichter intellectueel greep krijgt op de ervaringen die hem ontglippen vallen de dingen (zijn boeken?) van de plank. Zo wijst deze poëzie steeds weer terug op de fysieke grond onder ons intellectuele bestaan. Er wordt in de gedichten van Oosterhoff dan ook veel gestorven, vaak schijnbaar zinloos, zomaar; en er komen veel dieren voor, met hun lichamelijke, voor ons nooit echt begrijpelijke leven. Weliswaar hebben ook deze dieren een intellectueel streven, zoals Aapje Pietje, die steeds hoger klom – “Het ging hem niet om hoger/maar om verder. Of eigenlijk/om weten.” Maar dat leidt Pietje ook niet veel verder: “Vanonder het plafond/gooide hij met poep naar zijn verzorgers./Het was heel smerig en hij keek er heel dom bij.” Een zeer indringend gedicht combineert dierlijkheid, dood en de werking van het brein:

    Tijd voor een nieuw dier: het oorlogspaard.
    Het gaat in de wereldoorlog dienen.
    Het gaat onder zijn kozak uiteengereten
    worden, maar zover is het nog niet.
    In een tuig wordt het paard
    uit het ruim van een schip getakeld.
    Het kijkt om zich heen: waar is wat?
    Wegwezen? Nee, zonder grond
    kan het aan galopperen niet denken,
    het brein slaat geen vonk.
    Want vluchten slaapt onder de voeten,
    hoop woont in ogen, humeur leeft in mondhoeken,
    pijn in de rubberen
    handschoen.
     

    Leegte Lacht is een sterke, maar weinig opbeurende bundel, een weerslag van een confrontatie met de willekeur van ons lichamelijke bestaan. De poëzie probeert daar greep op te krijgen, maar ook aan haar mogelijkheden moet zeer worden getwijfeld: “Je bent vergeefs op aarde, bourgeois dichter, je leeft voor niets/met je argwanend gemompel.” Erg veel beter dan Aapje Pietje lijkt de dichter niet af te zijn.

    Er blijft de dichter dan wellicht niets dan deze willekeur ritmisch zo scherp mogelijk weer te geven, en middels uitgekiende herhalingen enigszins te stelpen. Zo kan de ervaring van het ons ontglippende leven tenminste nog worden vormgegeven; en misschien openbaart zich daarin dan toch iets van waarheid:

    ‘Vlak bij de waarheid is niemand depressief.’
    Omdat de waarheid zo meevalt? Nee, daarom niet.
    Maar omdat de waarheid

    slijpt aandachtig de punt van zijn pijl.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2011
    RecensentSamuel Vriezen
    Editie2012-1