Recensies

  • De camembertmethode

    Frouke Arns
    De camembertmethode

    Langzaam uitlopen

    Er wordt regelmatig gelegen in De camembertmethode, op zoek naar slaap of overleving. De bundel opent op een koude operatietafel waar iemand, in een even terloopse als sterke verwijzing naar Genesis, door een slang het leven ingeblazen krijgt, nadat deze eerst even ‘niet [meer] was’. De chirurg als vreemde schepper, handelend in leven en dood, voordat hij een snelle lunch naar binnen drukt: ‘Iemand neemt met de grootste precisie// iets uit je hals en doet je toe, eet/ na afloop gehaast een broodje in de gang.’

    Ook helemaal aan het einde legt men zich neer, als de lyrische ik (‘je’) de slaap niet kan vatten en rondwoelend vol gevoelens van onvermogen last heeft van ‘vrouwendenken: waarschijnlijk weer niet genoeg/ je best gedaan.’ Vervolgens krijgt deze vrouwendenker honger van het vermoeden dat ze een langzaam uitlopende camembert is en rooft de koelkast leeg, waarna ze constateert dat naast al dat onvermogen om de slaap te vatten reeds een gedicht in diepe rust ligt te snurken.

    Daartussen zijn overigens ook, voor de helderheid, allerlei gedichten opgenomen waarin flink rondgeneusd en gebanjerend wordt. Er is zelfs een hele sectie opgenomen over reizen. Maar vooral wordt er veel gepiekerd, gemijmerd en ook herdacht in deze derde bundel van Frouke Arns. In de meest geslaagde sectie ‘Vaderland’ worden de laatste dagen van een vader (‘een schepper vijf letters’), die is omgeven door een bedrukkende zwijgzaamheid, in enkele gedichten soms wrang, maar vooral teder neergezet. Het gebrek aan communicatie en de verstilde woede en verdriet doortrekken de gewijde pagina’s.

    Het ouderlijk huis ruikt naar woede en hond, wat ‘vooral erg [is] als je er geen hebt.’ Die afwezigheid is prangend voelbaar op de plek waar de dochter ooit een puppy werd ontzegd en het verdriet van de vader ‘zit in zijn knuisten/ dat van je moeder in haar zwijgen’. Elders klinkt bij de vader ‘het kraken van de ijsbergsla (...)/ oorverdovend in zijn mond’, wordt er vastgesteld dat er dagen voorbijgaan waarop de man zijn stem pas na het middaguur gebruikt en blijkt zijn oorlogstrauma de gedaante aan te hebben genomen van een terugkerende strenge nachtelijke examinator.

    In dat zwijgzame, mismoedig makende huis werd de puppyloze ooit veroordeeld tot een orgel waarop ze klassieke folksongs leerde spelen over het verlangen naar een vredig thuis in de Amerikaanse Midwest. Pas in de slotcyclus blijkt de vader een ‘man van extremen’ te zijn geweest, die op het einde van zijn leven zijn zwijgen toch ook doorbreekt met tandenloze zang, dwalend door de tuin. Die tanden liggen later als ‘een schreeuw onder water in het glas naast je bed’ wanneer in de ochtend de dood wordt opgewacht. Dat beeld is kenmerkend voor de poëzie van Arns, die er in deze familieportetten, als elders ook met enige regelmaat, keer op keer in slaagt om uit het deprimerende alledaagse een pakkend en helder beeld te peuren. Weinig opsmuk, groot effect.


    De beelden van Arns werken niet altijd even goed. Soms slaan ze dood of laten ze gewoon koud in hun belangeloosheid. Vooral als de taal zelf onderwerp wordt, schiet ze uit de bocht. Mijmerend en woelend in halfslaap, in het ‘langzaam uitlopen’, is Arns in De camembertmethode op haar sterktst. Bijvoorbeeld wanneer ze zich van zichzelf vervreemd aantreft, zoals in ‘Ontwaken’, waar binnen en buiten, droom en werkelijkheid, slaap en waken zich met elkaar vermengen in een zo doorvoelde als voelbare lichamelijkheid. Daar vindt ze zichzelf terug als ‘het zware ademen van een dier’ dat haar maar niet loslaat, ook dagen later nog niet als ze ‘op een argeloos moment’ niet begrijpt ‘waarom de hoefjes in mijn schoenen/ rusteloos beginnen te schrapen.’

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2018
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2019-1