Recensies

  • Licht overal

    Cees Nooteboom
    Licht overal

    Het teken van de dood

    In ‘Heimwee’, uit zijn nieuwe dichtbundel Licht overal, vertelt Cees Nooteboom over een gesprek met Hugo Claus. Claus vertelt dat hij een ghazele heeft geschreven, een Perzische versvorm, maar dat geen hond het heeft gemerkt: ‘We schrijven voor idioten.’ De schrik sloeg me om het hart toen ik dat las. Misschien was dit gedicht zelf wel een ghazele, kaside of pantoen – en had ik het niet gezien. Allicht ben ik wat minder belezen dan Nooteboom en Claus. Maar een idioot?

    Hoewel hij zijn meeste roem vergaarde met zijn romans en reisverhalen heeft Nooteboom zelf altijd volgehouden dat zijn poëzie de kern van zijn oeuvre vormt. En inderdaad, ook als dichter heeft hij bundels op zijn naam staan waar menig collega alleen maar van kan dromen. Het gaat in zijn oeuvre, en dus ook zijn poëtisch oeuvre, veelal over de dood. Dat wordt alleen maar pregnanter naarmate de dichter ouder wordt, volgend jaar wordt hij tachtig. De grote schrijvers van de generatie waar Nooteboom toe behoort, vallen één voor één weg. En het gaat in zijn poëzie ook negen van de tien keer over de poëzie zelf. Poëzie in het algemeen, zijn eigen poëzie en die van anderen. Nooteboom laat ons ruimhartig meegenieten van zijn boekenkast en zijn leeservaringen. Dit zorgt er enerzijds voor dat de lezer soms het gevoel krijgt buiten deze gedichten te staan, maar het is een wezenlijk, en zelfs ontroerend element van Nootebooms poëzie:

    Een naakte man alleen bij snelstromend
    water, Apollinaire, Owen, Graves, Ungaretti,
    poëzie gaat nooit over die ene oorlog
    maar altijd over
    de.

    Poëzie over poëzie is meestal nogal vervelend maar Nooteboom kan het. Op het eerste gezicht zou je dat rijtje dichters een beetje koket kunnen vinden. Door echter die namen te noemen, benadrukt Nooteboom dat we op de schouders van reuzen staan. Daarbij verbindt hij het thema ‘poëzie’ nadrukkelijk met het thema ‘dood’, of preciezer gezegd, poëzie is bij Nooteboom (zoals bij zoveel dichters) de enige manier om de dood te overleven. Het noemen van de bewonderde voorgangers zou je dus kunnen zien als een soort heilige taak van de dichter. Hij houdt er de herinnering aan de genoemde voorgangers en hun poëzie mee levend. De hele bundel is doortrokken van het besef dat poëzie een vorm van aanwezig zijn is. ‘Wat zit daar nu, een man of een gedicht?’ heet het mooi in ‘Figuur’.

    Nooteboom plaatst zich met het noemen van al die namen bovendien nadrukkelijk in een traditie - en dat is duidelijk niet primair de Nederlandse, of Nederlandstalige. Zo zijn de verwijzingen naar, en citaten van, oude Chinese, Griekse, Latijnse, Franse, Duitse, Engelse, Italiaanse etc. dichters niet van de lucht. Toch is het allemaal onmiskenbaar, en compromisloos, Nooteboom. Een Nooteboom die sterk beeldende, diepzinnige en gloedvolle regels schrijft als:

    (...) het gevaar van een ander
    leven, een gedicht

    van een omgekeerd bestaan,
    waarin de dood geen zeis heeft,
    een minnaar is op gouden hoeven
    die je borsten streelt
    en het tapijt van de sterren uitrolt
    voor jou om op te liggen.

    De dood is in vrijwel elk gedicht prominent aanwezig. Daar wordt niet dramatisch over gedaan. Toch is er een zekere wanhoop te bespeuren in dat zoeken in het geheugen, dat haken naar regels en beelden uit die ongetwijfeld immense boekenkast: ‘sprekend geheugen,/ waarin wij nog beiden/ bestaan.’

    Veel gedichten uit deze bundel zijn al eerder gepubliceerd. De afsluitende reeks ‘Ter gelegenheid’ bestaat bijvoorbeeld uit gedichten die geschreven zijn bij de verjaardagen van respectievelijk Frans Budé en H.C. ten Berge en het afscheid van Anton Korteweg als directeur van het Letterkundig Museum. Nootebooms deel van de briefwisseling in gedichten met Remco Campert is in de bundel opgenomen onder de titel ‘Brieven aan Remco Campert‘.

    En ‘Licht overal’ was oorspronkelijk een bundel gedichten met etsen van Hugo Claus. Het gedicht ‘Avond’ uit die bundel is nu als een In Memoriam opgenomen. Het is aan het begin van Licht overal opgenomen en jaagt al direct de rillingen over het lijf. In deze regels is Claus’ aanwezigheid al een afwezigheid: ’dit is zijn/ laatste gezicht voor het duister’. Hij is er nog, maar als een herinnering. Ook in ‘Heimwee‘ gaat het over Claus. Nooteboom stelt de vraag: ‘Is dat het, heimwee?’

    Dat ik naar die kamer wil, het boek oppakken,
    de gedichten van Hafiz lezen, naar de tekening
    van Benjamin kijken, het kruis dat Hugo door zijn gezicht
    getekend had, het teken van de dood?

    In de herfst van zijn leven kijkt Nooteboom nog eens, op onnadrukkelijk indrukwekkende wijze, naar het bestaan. Hij doet dat als naar een gedicht: een teken dat blijft, dat aangeeft dat al het andere zal verdwijnen. Het maakt van Licht overal een hoogtepunt in het hooggebergte van het oeuvre van Nooteboom.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2013-1