Recensies

  • Vluchtautogedichten

    Maarten van der Graaff
    Vluchtautogedichten

    Een aanslag op het spookhuis

    Een masturberende Obama, dat is nog eens wat je noemt een mindfuck. Telkens als Obama op tv komt – en dat gebeurt tegenwoordig nogal eens – moet ik het wat onsmakelijke beeld van de Amerikaanse president met zijn broek op zijn enkels uit mijn hoofd zien te houden. Het beeld komt uit Vluchtautogedichten, het debuut van Maarten van der Graaff (1987), om precies te zijn uit nummer 15 van het uit achttien delen opgebouwde gedicht ‘Vrije encyclopedie’ (volgens de achterflap een ‘anti-encyclopedie’). De strofe draait om het woord ‘Obama’, zonder die naam zou er weinig van overblijven. Het is kortom een effect, en geen zachtzinnig effect ook. Dat doet Van der Graaff wel vaker:

    Close-up van Kees ’t Hart in zijn werkkamer. Ik heb mijn hang-ups, zegt hij. Precies op dat moment wordt een hoer doodgeschoten.

    Dikwijls is dat geestig. ‘’s Morgens zing ik in de baai/ een lied door mijn snorkel./ Ik hoop op een sonargeluid’ schrijft hij bijvoorbeeld in ‘Dolfijnen, onze kosmische buren’. Elders ironiseert hij het literaire leven: ‘Zou Geert Buelens mij leuk vinden?/ Dat zou heerlijk zijn.’ Soms ook is het bij Van der Graaff of je in een volle treincoupé zit en je alleen geleuter hoort:

    Niemand durft zich te verroeren,
    de knarsende wielen smeken om olie,
    maar wij hebben de knarsende wielen gemaakt.
    Ik brak vanmorgen mijn tandenborstel
    in zessen en keek naar two young blondes havin’
    a good good
    time

    Vluchtautogedichten was dit voorjaar een opvallend debuut, Van der Graaff werd geprezen om zijn duidelijke eigen stem, zijn zelfbewuste toon en de vrije omgang met de vorm van zijn gedichten. Terecht, lijkt me, al is de voortdurende snedigheid af en toe wel vermoeiend.

    Van der Graaff zet effecten in, maar het zijn geen effecten pour l’effect. Zijn wat grimmige humor, en ook zijn geleuter trouwens, doet in die zin denken aan de humor van een schrijver als Reve: het drukt een diepe afkeur, of preciezer: walging uit. Of misschien is wanhoop een beter woord (die blijkt met name duidelijk uit de gedichten aan of over een geliefde, ‘Olatile’, of ‘Blondie’). Het meest expliciet verwoordt hij dit levensgevoel in een gedicht voor Daniël Labruyère, een beeldend kunstenaar die elders in de bundel wordt aangesproken als ‘Gruweletser’:

    Jij bent een aanslag op dit
    morsig spookhuis waarin ik wakker word,
    hamburgers eet en doodga.

    Het woord ‘aanslag’ is cruciaal. Een vluchtauto is niet alleen een vervoersmiddel waarmee je ontsnapt (‘ontsnappen is sexy’, schrijft Van der Graaff in het openingsgedicht). Iedereen die wel eens een aanslag heeft gepleegd weet dat de vluchtauto bij zo’n daad cruciaal is. Van der Graaff pleegt kortom met deze gedichten enerzijds een aanslag op de werkelijkheid (zijn werkelijkheid, maar ook die van de lezer); anderzijds voeren ze hem (en de lezer) weg van de plaats van de misdaad.

    Het eindresultaat is de verwrongen werkelijkheid van de dichter, alsof we in een lachspiegel kijken. Van der Graaff slaagt er op zijn eigen, nogal agressieve manier goed in de lezer zijn regels in te peperen. Voortaan als ik vanuit Utrecht CS het Vredenburg inloop, om eens een wat milder voorbeeld te geven, zal ik aan de volgende regels denken:

    De Utrechtheid van deze ruimte strekt zich
    loom voor ons uit. Veelgeurig en
    nutteloos en licht.

    Van der Graaff doet met zijn poëzie dus feitelijk niets anders dan wat andere goede dichters doen. Ze smijten ons verbeten hun beelden in het gezicht. Ze schoppen ons tot we een geweten krijgen.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2013
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2013-3