Recensies

  • Het tankstation op de route

    Jan Baeke
    Het tankstation op de route

    Film dichten

    Er wringt iets in het werk van Jan Baeke. In Het tankstation op de route is het overkoepelende project, net als in eerdere bundels, een poging de (beeld-)taal van film in de poëzie te integreren. Baeke lijkt zich tot doel te hebben gesteld om film te dichten, meer nog dan om filmische poëzie te schrijven. Dat streven maakt dat je bij lezing van de bundel steeds geconfronteerd wordt met een mankement, een gebrek, een wat geforceerd en daardoor ongemakkelijk falen van het ene medium dat er maar niet in slaagt het andere te worden.

    In 1964 muntte de socioloog en filosoof Marshall McLuhan zijn beroemd geworden stelling dat ‘the medium is the message’. McLuhan werd daarmee een voorloper in de mediastudies: niet de boodschap, maar de werking van het medium dat gebruikt wordt om die boodschap over te brengen zou allereerst grondig onderzocht moeten worden, omdat dat medium zelf zo bepalend is voor de wijze waarop de boodschap ontvangen wordt. In dat licht bezien is Baeke bezig met een intermediaal project, dat McLuhan mogelijk als een spannend experiment had gezien, naar de grenzen van de verschillende media. Laten we die gedachte als uitgangspunt nemen bij lezing van de bundel.

    De vraag is dan wat deze worsteling precies oplevert. Het tankstation op de route bevat veel verstilde, fragmentarische scènes, gedichten die zich spiegelen in lange filmshots, aan de rand van de gebeurtenissen die de film aan hun narratief helpen. Of juist, reflecterend, in de ‘making of’ van de film, zoals in het gedicht ‘Draaidagen’:

    [...]

    Ik doe niet veel, een sigaret volstaat.
    Na de goede gesprekken en de romantische vergissing
    draai ik andere scènes.

    [...]

    De dood komt in elk geval en de droefenis
    van het vriendinnetje, een tergend langzaam
    shot dat elke straat probeert te vatten.

    Dat allemaal om de tijd te
    begrijpen, of op z’n minst de helft
    van de betekenis.

    Storend dat de mussen
    in het geluid zijn gaan zitten.

    Het lyrische ik en de filmmaker vallen hier dus samen en de film, waarvan de thematiek of veeleer de sfeer slechts in flarden tot ons komt, valt samen met het gedicht. Het multimediale karakter van de bundel maakt het aanlokkelijk dit gedicht poëticaal te lezen. Dat het in die poëtica wringt blijkt al uit de laatste zin. Een dichtbundel kan immers geen geluid voortbrengen, zeker niet het gekwetter van vogeltjes. De mussen symboliseren hier een storende werkelijkheid die de wereld van de film, en daarmee van het gedicht, niet binnen dient te dringen, maar het dilemma dat het oproept is schijn: in het gedicht dringen ze alleen binnen omdat de dichter ze binnen wenst te halen. Ze vormen geen formeel obstakel dat inherent is aan het medium; slechts de wens om de media in elkaar te laten schuiven maakt dat ze naar binnen gehaald moeten worden. Daarmee wordt de lezer op een wat onheuse manier in de war gebracht. Wat is nu precies het doel van deze regels? Hebben we hier te maken met een reflectie, een poëtica van het project van Baeke, of met het dagboek van een filmregisseur? En in welke zin levert dit precies interessante poëzie op?

    Het simpele antwoord op de laatste vraag is dat het dat niet altijd doet. Het best slaagt Baeke erin de lezer te boeien als hij het enigszins peinzende, fragmentarische taalgebruik van de regieaanwijzing even laat voor wat het is, zoals dat gebeurt in de terugkerende gedichten waarin de personages ‘Herman’, ‘Tonnie de Sexy’ en ‘Zwart van de Lamp’ figureren. Vaak wordt daarin het bereik van de filmcamera overstegen, waardoor de taal haar meerwaarde lijkt te krijgen. Zoals in deze regels in één van de ‘Scènewisselingen’, waarvan de drie slotstrofes als volgt luiden:

    [...]

    De lijst is een haag van klimrozen. Om de haag het geluid van
    een tram en een radiojournaal.

    Als de uitgang gevonden is, staat het beeld even stil. De straat
    is levendig, verkeer en wandelaars. Geluid in alle personen.

    Meteen de hoek om, het eenvoudige commentaar
    de wetenschap. Daar net voor
    de afdruk van het bed in Tonnie de Sexy, het geluid dat het
    beeld nooit zal bereiken, het hulpeloze gevloek van Zwart
    van de Lamp.

    Waar eerder de mussen nog storend de film die een dichtbundel wil zijn, of vice versa, binnen kwamen kwetteren, is er nu de wereld en de vloekende lichamen buiten het zicht van de camera die de boventoon krijgen en daarmee het gebrek van beide media om die te duiden. ‘[H]et geluid dat het beeld nooit zal bereiken’ is geluid dat slechts buiten de film bestaat en enkel betekenisvol is in het gedicht, hoewel het ook daar geen onderdeel van is. Hier wordt het spel met de media spannender en veelzeggender. Het sterkst is Baeke dan ook wanneer hij beide media overstijgt door hun beider beperktheid te tonen. Dan vindt er een mediaoverschrijding plaats die een meerwaarde biedt boven zowel het filmische als het poëtische, precies wanneer beide media falen en elkaar nodig lijken te hebben. Dikwijls, ook, wordt dit spanningsveld echter niet opgezocht of gaat het al te snel verloren in gedichten die, naar het schijnt, toch liever filmscript hadden willen zijn.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2013
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2013-3