Recensies

  • Houvastvergankelijkheidsleer

    Jan Baeke
    Houvastvergankelijkheidsleer

    De ambiguïteit van een theorie

    Intrigerende titel, Houvastvergankelijkheidsleer. Eén die je eerst goed in je op moet nemen om de implicaties van de verschillende onderdelen met elkaar in verband te brengen. Jan Baeke suggereert met de titel een min of meer theoretische verhandeling; hij bevestigt deze verwachting met titels als ‘Paradigma’, ‘Analogie’ en ‘Objectief’. Er is zelfs, zoals bij een wetenschappelijke tekst, een index toegevoegd; het woord ‘wetmatigheden’ komt volgens deze lijst tien keer voor in de bundel. Alleen staan de woorden uit de lijst niet altijd op de aangegeven pagina’s, waarmee meteen de eerste aanwijzing gegeven is: hier wordt een ontregelende tactiek toegepast die de ongerijmdheid van het begrip ‘houvast’ thematiseert. Wellicht is er met het presenteren van deze index als een samenhangende begrippenlijst en passant, bijna als achteloze toegift, een nieuwe poëtische eenheid gecreëerd. Immers, zoals de titel van één van de gedichten al aangeeft: ‘De regels zijn veranderd’.

    De titel van het deel ‘De wereld is het geval’ lijkt geïnspireerd te zijn door Tractatus Logico-Philosophicus, de tekst waarin de filosoof Wittgenstein de verhouding tussen taal en wereld onderzoekt. Een relatie die uiteraard ook relevant is in de poëzie, ware het niet dat voor de dichter de logica meestal niet het eerste uitgangspunt is. De vraag is of de lezer – nu volgens de dichter de regels veranderd zijn – nog kan uitgaan van het eigen verlangen naar een consistente lyrische identiteit, inventief woordenspel of eenmalige beelden.

    Door meerdere posities in te nemen lijkt de dichter in eerste instantie onzichtbaar te blijven. Enerzijds stelt hij zich op als de observator, de koele onderzoeker die vastlegt en berekeningen maakt, ‘Als machine, als laborant in opleiding’. Hij maakt notities, die hij nummert en van een datum voorziet, en waarin hij zich bezighoudt met ‘vierkante meters’ en ‘plantentabellen’. Maar zijn waarnemingen zijn gefragmenteerd en hebben een kritische ondertoon:

    Van de helling afdonderend zijn de mensen
    niet slechter dan een lawine

    niet beter dan de vuilstort

    aan het einde van een stakingsweek.


    Objectiviteit is uiteindelijk niet mogelijk: ‘De familie Bakker kan niet objectief zijn/ omdat ze wordt gedomineerd/ door leden van de familie Bakker’. In deze strofe ligt de essentie van de positie van de lyrische ‘ik’ besloten. Hij observeert van buitenaf en tegelijkertijd laat hij zien dat dit een onhoudbaar standpunt is, een ambiguïteit die voelbaar is in het gedicht ‘Echt’:

    Ze lichten de boel op. Ze organiseren condoleances.
    Hun verdriet is serieus gespeeld, het is echt!

    Ze blijven net zo lang praten totdat de familie doorheeft
    onvergetelijk

    ja, echt onvergetelijk.


    Tenslotte blijkt de geordende wereld niet zonder emotie te kunnen: ‘Er moet altijd een plaatje bij/ want zonder sentiment met een gezicht/ kan de orde zich niet als het leven voordoen’.

    Baeke verveelvoudigt niet alleen de perspectieven, zelfs binnen één gedicht. Hij rekt de observaties zo nu en dan op tot absurditeit; daarnaast weet de dichter handig zijn betrokkenheid te verbergen achter een ironische houding. ‘Ik denk heel vaak aan gevoelens. Gevoelens vullen mijn leven, zoals de wind/ boomgaarden/ kniehoog gras en oprispingen’, zegt hij in het eerste hoofdstuk –als een waarschuwing vooraf. Zijn betrokkenheid wordt afgeschermd door afstand te nemen, door lichte absurditeit en ironie: het levert een slimme constructie op die de thematiek van het werk onderstreept.

    De titel van de bundel laat echter ook een andere benadering toe; één die niet het houvast, maar de vergankelijkheid centraal stelt. En waarin ‘leer’ niet staat voor een theorie, maar voor de perceptie dat wij continu aan het leren zijn. De eindigheid wordt vooral gethematiseerd in het deel ‘Respons’; het roept herinneringen op, buigt zich over de cyclische beweging van het bestaan, behandelt ziekte en

    dood, ‘een mens in stukken’. Dan lijkt de emotie van de ‘ik’ de overhand te krijgen, zoals in de regels ‘Ik hou niet van de droom waarin mijn tanden uitvallen/ en de zool van mijn voeten verdwenen is’. Hij heeft dan ‘geen enkele theorie, alleen een vloekende zuipende hond’. De hond als de verbeelding van de onontkoombare rauwheid van het bestaan. Erkennen dat ‘de hond het voor het zeggen heeft’, dat is het enige mogelijke houvast. Maar onmiddellijk neemt de dichter afstand en richt zich tot de lezer met de woorden ‘Pak een willekeurige strofe/ Vol honden en herkomstretoriek/ Ja, het is een gedicht over misleidende principes’.

    De beelden zijn subtiel – het protocol hangt ‘als een vaatdoek tegen de muren’– en de intertekstuele verwijzingen zijn scherpzinnig, maar niet altijd onmiddellijk te vatten. De lezer die inhoudelijke samenhang verwacht, een evenwichtige compositie en paratekstuele elementen (zoals de begrippenlijst) die in het totaalbeeld passen, wordt op zijn wenken bediend. Houvastvergankelijkheidsleer is echter een complexe bundel die zich niet meteen gewonnen geeft. Zijn weerbarstigheid kan op den duur wellicht veel opleveren, maar alleen voor de vasthoudende lezer die zich niet laat afschrikken door de afstandelijkheid van de dichter.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2018
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2019-1