Recensies

  • De eenzame uitvaart

    Maarten Inghels
    De eenzame uitvaart

    Kaal

    Niet zo lang geleden stond Nederland voor een kort moment op zijn achterste benen toen in Rotterdam een vrouw werd gevonden die al tien jaar dood lag in haar woning. Wat volgde: een oproep tot beter nabuurschap, meer menselijkheid in de ontmenselijkte samenleving en over tot de orde van de dag.

    In 2010 vond men in Antwerpen meneer Nguyen Van Kham. Hij lag al twee jaar dood in zijn woning in een buitenwijk van de stad; hij was al gemummificeerd. Hij kreeg van de gemeente een Eenzame Uitvaart: dragers, uitvaartbegeleider en een dichter van dienst die het laatste lied zong bij zijn graf. In Nederland kennen we het fenomeen sinds 2002, toen dichter Bart F.M. Droog het idee lanceerde in Groningen. In Amsterdam was F. Starik de initiatiefnemer en hij publiceerde tot nu toe twee boeken met zijn verslagen van de uitvaarten en de uitgesproken gedichten. Het zijn fraaie boeken, niet in de laatste plaats omdat Stariks proza De eenzame uitvaart en Een steek diep tot meer maakt dan interessante sociologische naslagwerken. Zijn semi-archaïsche, bijna reviaanse parlandostijl maakt van de verslaglegging vaak bitterzoete meditaties over leven en dood.

    Dat niveau bereikt zijn Antwerpse collega Maarten Inghels niet. Sinds 2008 is hij de coördinator van de plaatselijke Poule des Doods, waarin zich de dichters Jan Aelberts, Bernard Dewulf, Andy Fierens, Lies Van Gasse, Joke van Leeuwen en Stijn Vranken verzameld hebben. Ook in zijn De eenzame uitvaart bundelt Inghels de verslagen en gedichten die de afgelopen jaren zijn geschreven en uitgesproken bij de graven van mensen als Nguyen Van Kham. We lezen de summiere informatie over de dode. Soms gaat Inghels op onderzoek uit. Hij doorkruist wijken waarvan hij het bestaan niet vermoedde, belandt in straten die haast onvoorstelbaar zijn in hun troosteloosheid. De begrafenis zelf voltrekt zich altijd binnen dezelfde lijnen: er wordt veel gerookt, men loopt naar het graf, de dichter leest op een hoofdknik van de uitvaartbegeleider zijn of haar gedicht en men neemt afscheid van elkaar. In twaalf minuten is het gedaan. Koffie en cake zoals men in Amsterdam gewend is, is er niet bij. Dat de stukken vrij droog zijn, minder franje hebben dan Stariks proza, wil niet zeggen dat ze niet goed zijn. Inghels’ manier van verslaglegging sluit mooi aan bij de gedwongen feitelijkheid van de poëzie.

    Net als hun collega’s in andere steden hebben de Antwerpse dichters het te doen met de paar snippers informatie die ze in handen krijgen van de gemeente. Hun bandbreedte is opeens beperkt, er zijn parameters, die paar snippers moeten gebruikt worden. De gedichten bestaan uit veel giswerk, veel ‘misschien’, maar het is vooral mooi om te lezen hoe weinig materiaal de dichters nodig hebben om betekenis te creëren. Het laat zien dat het niet echt belangrijk is wat de ingrediënten precies zijn, maar veel meer hoe ze gerangschikt worden, hoe de dichter ze zich tot elkaar laat verhouden. Neem het gedicht dat Joke van Leeuwen schreef voor mevrouw J.V.L. (1920-2009). Alles wat Van Leeuwen wist was dit: mevrouw zat in een rolstoel, ze had een handtas met daarin een foto van haar overleden man en haar gordijnen moesten altijd openblijven. Van Leeuwen maakte dit:

    Voor J.V.L.

    U heeft geleefd, uw voeten zijn gegroeid,
    raakten de aarde aan, tot ze verbaasd om
    wat niet wilde op de plankjes van de rolstoel
    bleven staan. Uw handen tastten naar uw tas
    waarin uw wereld en uw zakdoek zat,
    uw ogen naar de man die ooit dicht bij u was,
    naar wie u hielpen, naar het licht dat u begroette.

    Waar u nu ook mag zijn waar u niet bent,
    we zullen weten dat u heeft geleefd en liefgehad
    en dat daar de gordijnen open moeten.

    Minder is vaak meer. Als het om poëzie gaat, tenminste.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2013
    RecensentJasper Henderson
    Editie2014-1