Recensies

  • Mijn beste gedicht dat u nooit zult lezen

    Thomas Blondeau
    Mijn beste gedicht dat u nooit zult lezen

    In bed groeit een steen

    Uitgaven van nagelaten werk, zeker als het gaat om een dichter die eerder nog geen volledige bundels publiceerde, ontberen niet zelden enige samenhang. Dat maakt de lezing ervan anders dan die van veel bundels. Mijn beste gedicht dat u nooit zult lezen vormt daarop geen uitzondering. Wel wordt er door de uitgever een wat ongepaste, maar stevige poging gedaan om alsnog een samenhang te forceren door op de achterflap in vier zinnen tweemaal nadrukkelijk te wijzen op het jonge overlijden van de dichter, een feit dat vervolgens allicht niet zomaar weg is uit de gedachten van de lezer en derhalve onvermijdelijk bepalend is bij lezing.

    Ook de rangschikking van de selectie stuurt aan op een lezing in het licht van dat overlijden. De eerste regels uit het bundeltje luiden als volgt:

    we zitten natuurlijk niet om een leven verlegen
    het kan altijd beter daar niet van maar erom verlegen
    zijn we zeker daarom zo vals zingen we

    In beginsel overheerst de agitatie door de nadruk waarmee het persoonlijke drama dat de directe aanleiding vormt voor het boekje er in gewreven wordt. Gelukkig overstijgt de kracht van de regels die dramazucht. In deze strofe is het vooral het gebrek aan interpunctie dat intrigerend werkt. De eerste regel is helder, waarna alles ambigu wordt. Of juist niet. Wie de tweede regel in het licht van de eerste leest ziet er enkel een bevestiging in en verwondert zich vooral over de kennelijk noodzakelijke herhaling. Bij verdere lezing lijkt de betekenis van ‘verlegen’ echter te verspringen van ‘ergens naar verlangen’ naar ‘verlegen zijn’. Lees je niet door, dan kan er in regel drie ook staan: omdat we er niet om verlegen zitten, bestaan we, als speelbal van een of andere cynische demiurg. Of: het is zeker dat we bestaan, daarom zingen we zo vals. Of: omdat we er niet om verlegen zitten, zijn we, en daarom zingen we zo vals.

    Blondeau maakt graag gebruik van spreektaal. Vaak krijg je het gevoel dat de hele bundel het best achteloos uitgesproken kan worden door een bedreven cynicus ergens aan de toog van een bruin café in Antwerpen. Dat praterige zit in dit werk niet zozeer in het vocabulaire, maar veeleer in het tempo dat er een is van een bedachtzame, duistere ziel die zonder opsmuk, met een flinke dosis al dan niet gezonde weerstand tegen het leven spuwt. Vaak onderbreekt hij zichzelf, daarmee zijn zinnen verstorend (‘hebben we elkaar teruggevonden in/ brood in gekauwde handen dat is iets wat je gedraag je/ deed’). In dezelfde serie besluit Blondeau gedicht III met deze strofe:

    ik wou dat ik kon zeggen tranen ik wou dat ik kon zeggen
    tranen maar de jongens voor mijn deur vallen mij niet lastig
    zigeuners of lakeien ken ik niet hier heeft men genoeg te eten
    en tranen ik wou dat ik kon zeggen tranen

    De behoefte aan emotie, als strategie om aan het cynisme te ontkomen, bijvoorbeeld door zich te verbinden aan een sociale strijd, is steeds als een bij voorbaat mislukte optie aanwezig. In het vijfde gedicht van de serie, dat als het eerste deel in een soort nawoord lijkt te fungeren, beschrijft de ik zijn eigen dood: ‘mijn geweten stond buiten tegen/ een boom te pissen toen ik stierf/ en ter ere van die gelegenheid/ hebben ze mij tentoongesteld’. Het blijkt niet zozeer te gaan om een scène in het mortuarium, maar om die in de kist in de grond. De ik heeft zich omringd met zijn ‘vrienden van ebbenhout’. De vriendschappelijke band met het onderaardse leven is tekenend voor de licht nihilistische toon die uit de gedichten naar voren komt.

    Ook als Blondeau speelser wordt, blijft vooral zijn cynisme voelbaar. Met ‘ENTER. EXIT’ schreef hij een flarf met teksten aangetroffen op pornosites. Hoewel het gedicht zich, als veel van dergelijke op internetteksten gebaseerde gedichten, een beetje laat gaan in de joligheid, is ook hier de sfeer vooral eenzaam en cynisch en daardoor navrant. Sterk geleid door een fascinatie voor neologismen in de pornotaal (‘Teledildonics’, ‘copofragen’), de vaak opzettelijk dubbelzinnige spel- en interpunctiefouten (‘Hot Sexy Teenstaking long hot showers’, de oneindige woordspelingen op het woord ‘cum’) en veel klankrijm, schetst Blondeau niettemin een knap beeld van de uitgebreide wereld van kille digitale seksuele verlangens:

    Teen lesbo action
    come on – ebony fantasies
    webcam see Nikita.
    Hot Sexy Teenstaking long hot showers,
    suddenly the gym teacher enters.
    Nikita? Ik had een vriendinnetje dat zo heette.

    Vaginal klysma mistress.

    Mijn beste gedicht dat je nooit zult lezen geeft een mooi inkijkje in het werk van een getalenteerde cynicus met experimenteerdrift die niet bang is voor confronterende teksten. In het eigenlijke beste gedicht dat wel degelijk werd afgedrukt, ‘Spanne’, wordt een ingewikkeld spel gespeeld met moordlust en de crucifix. Ik sluit af met een stukje daaruit.

    in bed groeit een steen waarmee        ze hangt mijn vuile was buiten
    ik op een dag haar hoofd verbrijzel    spijkert ze aan de deur
    fluistert ze telkens weer                       spijkert zich aan de deur

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2014-2