Recensies

  • Altijd een raam

    Sylvie Marie
    Altijd een raam

    Daver

    Sylvie Marie wordt sinds haar debuut Zonder (2009) geroemd vanwege haar sobere, onnadrukkelijke stijl: in het kleine zoekt ze het grote, in het alledaagse het mysterie. In de zowel voor de Herman de Coninckprijs als de J.C. Bloemprijs genomineerde opvolger, Toen je me ten huwelijk vroeg (2011), zette ze deze lijn voort en ook in het deze zomer verschenen Altijd een raam schuwt Marie het grote gebaar en raakt ze met eenvoudige regels als deze, die de bundel openen:

    ‘ik zocht het op:
    er zijn geen wedstrijden, er is geen wereldrecord janken.
    toch trekken we jassen aan als zwachtels, slenteren ons suf,
    staren naar de sterren, altijd een raam.’

    Mooi beeld, die jassen als zwachtels en een fijn binnenrijm bovendien. Het rijtje alliteraties daarna: het kan misschien wat minder, maar belangrijker is dat raam. De grens tussen buiten en binnen, tussen wat je ziet en wat er werkelijk is, tussen kijken enbekeken worden. Een raam bepaalt het perspectief, letterlijk: van welke kant je het bekijkt.

    Dat heb ik geweten. In ‘Binnenskamers’, de eerste afdeling, lijkt Marie vooral te vertellen over het persoonlijke: relaties, familie. Het eerste gedicht is prachtig. ‘Oorsprong’ heet het en er gebeurt helemaal niets. Een meisje, althans, ik neem gewoon maar aan dat de verteller een meisje is, zit in een woonkamer op een bank en kijkt door het raam naar de vogels buiten. Maar er is iets met die vogels, ze weet alleen niet wat. Haar adem versnelt; dat rustige beeld wordt verstoord, maar aan de vogels ligt het niet. Er is sprake van een hand die een buik beroert, ‘de blik een navel’. Niet alleen de adem wordt sneller, ‘het hoofd blaat vragen’. Dat is mooi, het rustige tafereel dat in een oogwenk opgejaagd wordt. Maar wat voor vragen zijn het dan? De laatste regel bestaat uit twee woorden, een spel met anagrammen: ‘daver, vader’. Ik vind het mooi gekozen, omdat dit taaltrucje mijn lezing van het gedicht kleurt. De aanwezigheid van vader is een inbreuk, hij davert het kader binnen, hij hoortdaar op de een of andere manier niet. Ik heb een beeld van de vader, en dat is niet positief.

    In de tweede afdeling, ‘Buitenshuis’, staat het gedicht ‘Daver’. Een nog mooier gedicht dan ‘Oorsprong’, ik citeer het maar in zijn geheel:

    als een vader sterft, voel je de grond
    die zich afzet tegen het gras en op slag is het te lang,
    je hoort de maaier snakken.

    hij is zijn eigen schaduw met de zon op het hoogste punt
    en toch blijf je kijken naar zijn borstkas, knippert niet.

    zijn overalls hangen aan de haak,
    schoenen staan
    aan de achterdeur, in de auto is zijn
    geur
    niet de geur van hij die hier ligt. wat
    klopt
    is nergens te vinden.

    Heel even is mijn venijnige idee over de vader weg. Nog los van mooie beelden als de naar gras snakkende grasmaaier is dit een liefdevol gedicht over gemis, de dingen die voorgoed uit balans zijn, niet meer kloppen. Dat denk ik, maar dan lees ik nog eens, en nog eens, en merk dat het werkelijk niet klopt. Waarom schrijft Marie ‘een vader’, en niet het intiemere ‘je vader’? En als je de tweede strofe nog eens leest, wordt die dan niet haast sinister: het staren naar iemand die even groot is als de schaduw met de zon op het hoogste punt, namelijk niets, staren omdat je zeker wilt weten dat die borstkas niet meer gaat bewegen. Hij ligt daar wel, maar zijn attributen zijn er ook nog, de overalls, de schoenen, zijn geur. Over ‘mysterie in het alledaagse’ gesproken. Deze twee gedichten wringen, en ik blijf ze daarom maar lezen.

    Voor de goede orde: Sylvie Marie schrijft ook geestig, weet te ontroeren, verwijst naar Carver en Kouwenaar – altijd goed – en heeft met Altijd een raam opnieuw een prachtige bundel afgeleverd.

    UitgeverPodium/Vrijdag
    Jaartal2014
    RecensentJasper Henderson
    Editie2014-3