Recensies

  • Het aaahh en ooohh van de verbonaut. Achtergelaten gedichten

    Sybren Polet
    Het aaahh en ooohh van de verbonaut. Achtergelaten gedichten

    'Gaat heen en vermindert u’

    In het gedicht ‘In intervallen’ schrijft Sybren Polet: ‘maar stil, verstil, want weldra/ heb je weer alle tijd van de wereld,/ waarin alleen het antitikken/ van een stilstaande klok te horen is.’ Het klinkt even als een aankondiging van het aflopen van de tijd die hem rest. In een van de uitvoerige noten legt hij het antitikken uit als een soort fantoompijn, middels een anekdote: juist toen er een dag gestaakt werd op een Canadees vliegveld regende het klachten over geluidshinder.

    Het aaahh en ooohh van de verbonaut hoeft allerminst de laatste bundel te zijn: wie afscheid neemt en gedichten achterlaat is ‘De neuronaut als verbonaut’. Een neuronaut is een soort ruimtevaarder door eigen lichaam, die met behulp van chemicaliën zijn eigen zenuwcellen langs gaat. Het neologisme verbonaut lees ik als degene die daar vervolgens een stem aan geeft. Dat personage (‘Hij die talen gaat, groet u!’) neemt ons mee op reis in deze bundel, Polets negentiende, waarbij ik wil aantekenen dat hij zich al sinds 1957 naast dichten bezighoudt met science fiction. ‘In je oude/ afgeworpen huiden mogen anderen kruipen,’ schrijft hij. Al gebruikt hij om de haverklap buitenissige woorden (‘vacuüm- fluctaties’), echt hermetisch wordt hij niet tijdens deze innerlijke tocht, daar schrijft hij te concreet voor. Eerder is het werk al te nadrukkelijk bij de tijd, zo zijn er ‘Ontelbare nakomelingen als teletubbies’. Ook is er ‘Lust die geen eeuwigheid wil,’ wat juist een bijkomstigheid van lustgevoelens is. Zo kun je ‘Voelen met je prothese’.

    Walter Benjamin schreef in het essay ‘Over de taal in het algemeen en de taal van de mens’ dat het oeuvre van een schrijver naarmate het groter wordt steeds meer als web gaat fungeren. Het wordt sterker, veerkrachtiger, het behoedt de auteur achterover het ravijn in te kukelen. Sybren Polet heeft het over ‘Negatief vermogen’. In de notities haalt hij John Keats aan die dat vermogen als kwaliteit en verdienste ziet, te ‘kunnen verkeren in onzekerheden, mysteries, zonder het najagen van feit en rede...’ Krachtig genoeg om zwak te durven zijn, sterk genoeg om onzekerheden aan te kunnen. ‘Ik leef in coma/ maar blijf tegen mij praten,’ laat Polet zijn verbonaut als ‘sociale taallichaam’ zeggen: ‘blijf tegen mij praten,/ ook al hoor ik je niet.’

    De notities – Polet leest opvallend veel Kierkegaard – laten wel degelijk het cryptische karakter van het werk zien. Staat er in een gedicht ‘4’33’, dan blijkt dat de tijdsaanduiding van een ‘stiltecomposietsie’ van John Cage te zijn. Er wordt in de bundel de hele tijd over geluid geschreven, tonen, atonale klanken. Zo heeft hij het in het gedicht ‘Je eigen vortex en solar plexus buiten je verplaatsen’ over ‘polytonale biomuziek’. Het kan aan mij liggen, misschien sta ik niet in de juiste trilstand voor deze bundel, maar ik voel het niet en kan de muziek ook niet horen.

    ‘Biochemie. Ze heeft biochemie gestudeerd. Maar waar/ is het lichtknopje,’ dichtte Hans Magnus Enzensberger. Sybren Polet zegt het anders: ‘je kruin is dronken van een overdosis ozon.’ Poëzie is volgens de verbonaut het uitlokken van betekenissen. En daar raakt hij me wel: ‘Als we altijd wisten wat te verwoorden/ was er geen poëzie.’ Je kunt, hoe erg het ook klinkt, ‘Alleen vibreren in de eigen logosfeer.’ Of de afdaling in de neuronen de dichter het gezichtsveld ontneemt, durf ik niet te zeggen: ‘kijk, toch loop je daar weer/ alsof je een mens wilt uitbeelden.’ Ondanks zijn verwijzingen is Polet in deze bundel behoorlijk parlando: ‘Maar kom, kom hier, ik wil je gedachten kussen.’ En waar hij hallucinatoir klinkt, wordt zijn poëzie surreëel: ‘Een kronkelende rivier, zijn eigen gekronkel moe,/ krult zich op tot een slang – blikkert intens –/ en schiet weg tussen de struiken.’

    Ondanks de malle begrippen (‘qualia’; ‘trilobieten, zich razendsnel voortplantende’) leest het nieuwe werk van Polet verraderlijk vlot. Dichters, zo stelt hij, leven in een ‘verbale faseruimte’. Bange kinderen ‘beginnen soms in het donker te zingen.’ Er is de ‘rommelende onrust/ van een groot, zeer groot onderbewustzijn.’ Wat Polet met ‘horizontaal bungeejumpen’ bedoelt zou ik niet weten, het klinkt alleszins uitdagend. ‘aangedaan/ vlijt ook mijn witte schaduw zich op de maan.’ Ook neemt hij stelling: ‘Realisme: een uur puur natuurporno.’ Op het eind van de bundel zit er als potdeksel telkens een klinkend eindrijm op het gedicht: ‘het zal zeker weer eens gaan sneeuwen,/ zij het geen witte vlokken./ want alles wordt hier in tweelicht voltrokken.’

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2014
    RecensentErik Lindner
    Editie2014-3