Recensies

  • Licht van mijn leven

    Remco Campert
    Licht van mijn leven

    Het meisje op de tramhalte

    Zag je vanmiddag van de overkant. Je stond
    Op de stoep voor de supermarkt, een beetje scheef
    Alsof het waaide daar bij jou, met je gezicht
    Verbaasd in de avondzon. Je had boodschappen gedaan.

    Het is de eerste strofe van het gedicht ‘Remco’, uit Bezweringen van Willem van Toorn. De bundel gaat over veel, maar vooral over de dood, die nadert of al heeft huisgehouden in de vriendenkring. Wat zou hij allemaal denken? vraagt Van Toorn zich in de tweede strofe af. Aan hoe dat meisje ooit heette? Aan Kees de Jongen? (Hoeveel mensen zouden er bij de supermarkt aan Kees de Jongen denken? Matthijs van Nieuwkerk misschien, Kees van Kooten, Jan Mulder. Het is op de een of andere manier heel belangrijk dat er mensen zijn die af en toe aan Kees de Jongen denken, zeker in een supermarkt.)

    Van Toorn wil de dichter niet storen, al wil hij iets heel belangrijks tegen hem zeggen. Hij wilde het al vaker zeggen, maar het kwam er niet van, en ook nu, in het gedicht lukt het niet, hij stamelt maar wat en sluit toch af met: ‘Dus zeg ik dat nu maar.’ We snappen allemaal wat hij Campert wil zeggen, want dat is wat we allemaal wel tegen sommige mensen zouden willen zeggen, maar doe dat maar eens. In dat onvermogen schuilt de poëzie, of om het in de woorden van Campert zelf te zeggen: ‘de mooiste poëzie is/ het ongeschrevene’.

    Het zijn de slotregels van een gedicht uit zijn nieuwe bundel, Licht van mijn leven, dat hij met gevoel voor zelfspot ‘Poëzie) zoveelste poging’ noemde. Inderdaad ondernam Campert in zijn rijke (dichters)leven tal van pogingen om onder woorden te brengen wat poëzie dan is, om daarin te falen, en uiteraard in dat falen juist te slagen. Hoewel in 1955 nog strijdlustig en overtuigend klonk ‘Poëzie is een daad/ van bevestiging. Ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef,’ verwoordde Campert het vier jaar later al zo: ‘maar woorden eenmaal gesproken/ geschreven/ zijn anders/ alleen verzwegen/ onuitgesproken/ bezitten ze een schijn van gelijk/ van geluk.’ Het lijkt erop dat hij deze blik na 55 jaar nog steeds onderschrijft.

    Het is dan bijna ironisch dat de dichter in deze fase van zijn leven veel wordt gevraagd om in de krant een overledene te herdenken, juist woorden te vinden die ervoor moeten zorgen dat er iets achterblijft:

    In memoriam

    Steeds vaker belt een krant hem op
    Bij een nieuwe dode die hij kende
    Toen tijd nog toekomst had

    Uit de lappenmand van zijn memorie

    Diept hij een aardigheidje op
    De anekdote waar de krant op wacht

    Zo zijn dan de dode en hij
    Nog een laatste keertje nieuws
    Tezamen in de wijkende tijd van hun begin

    Hoe gelaten, bijna cynisch de toon ook is (een ‘aardigheidje opdiepen’, een anekdote om ‘nog een laatste keertje nieuws’ te zijn), de dichter neemt zijn taak wel degelijk serieus, er staat iets op het spel: om hoe vluchtig ook, nog eenmaal gestalte te krijgen ‘tezamen in de wijkende tijd van hun begin’. Wat een mooie zin. Hiermee wint de dood, natuurlijk, zoals Campert aan het einde van zijn gloedvolle steldicht uit ‘55 dichtte, maar de dood is niets anders dan een ontroering.

    Ontroerend zijn dan ook de gedichten over zijn gestorven vrienden: Hugo Claus, Jan Wolkers, Gerrit Komrij – ‘maar onweer dreigt/ en mijn hart doet pijn’. Eenvoudige beelden, kale woorden.

    Licht van mijn leven is doordrenkt van afscheid, elke pagina ademt: ‘De tijd raakt op.’ In het sterke vierluik ‘Openingen’ bevindt de dichter zich tegen zijn zin op de opening van een expositie. Geestig beschrijft Campert het gedoe en geneuzel, het geouwehoer en de pretenties: hij heeft er het geduld nooit voor gehad, zeker niet nu, want ‘hij kent steeds meer/ alleen nog oude tijd’. Maar dan ziet hij haar: het meisje. Het meisje waarmee hij ooit, na net zo’n opening... ‘Wat waren we jong!’ is het enige wat hij verder kan constateren. Om vervolgens nog verder terug te gaan, naar toen hij een jongen was en ‘baadde in de tijd’ waarin hij bestudeerde hoe een kever telkens weer probeerde een grashalm op te klimmen.

    In het titelgedicht, waarmee de bundel afsluit, vallen de tijd en de poëzie ten slotte samen, heffen ze elkaar eindelijk op. Het leven lang zat de tijd tussen de dichter en de dingen. Het was als Bavink die de zon probeerde te schilderen: ‘je schrijft het op/en de inkt wordt onzichtbaar’. Maar als straks ‘in een knipperend ogenblik/het leven me loslaten zal’, dan is de tijd opgeheven en kan de dichter zich verenigen

    Met het fijn stof van de stad,
    Met de spiegeling van het zonlicht
    In het water van de gracht
    En [worden] meegenomen met de glimlach
    En de dromen van het meisje
    Dat ik eens op een tramhalte zag

    Een grandioos slot van een ijzersterke, levendige, fraai geïllustreerde bundel.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentJasper Henderson
    Editie2014-3