Recensies

  • Acedia

    Erik Lindner
    Acedia

    Je moet koud zijn om iets te tonen

    Het onlangs verschenen Acedia bevat een ruime keuze (72 pagina’s) uit de vier reguliere bundels van Erik Lindner (1968), aangevuld met recenter werk (21 pagina’s, met 34 gedichten, veelal betrekkelijk kort en in reeksen geordend). Daarbij is een omgekeerde chronologie aangehouden: Acedia opent met de jongste gedichten, deels eerder verschenen in Trompet in de branding (Slibreeks) en het door deBuren uitgegeven ‘citybook’ Charleroi; gevolgd door een selectie uit achtereenvolgens Terrein (2010), Tafel (2004), Tong en trede (2000) en Tramontane (1996).

    ‘Ourcq’ uit Tong en trede kan worden gezien als Lindners ‘sleutelgedicht’, het is exemplarisch voor de weg die zijn poëzie zou volgen: het ‘ik’ verdwijnt of is ‘geanonimiseerd’; het subject is enkel nog aanwezig in de objecten, waarnemingen, beschreven handelingen. Daarbij is een handeling geen enkelvoudige draad, maar een kluwen, die de dichter ontrafelt in zijn afzonderlijke draden. ‘Van de ijsbreker die loskomt van de kade/ schieten scheuren door de ijslaag,/ van de ene oever naar de andere/ trilt het schip en kruit het ijs,/ tot diep in het kanaal helt de oppervlakte/ en bolt en splijt, verkruimelt en smelt.’

    Allengs wordt Lindners poëzie soberder, koeler, afstandelijker, onpersoonlijker – beperkter, ook. Als van een anonieme passant of buitenstaander. ‘Je moet koud zijn/ om iets te tonen’, luidt het programmatisch in ‘Tijdelijke halte’ (Tong en trede). Niet alleen het ‘ik’ wordt geëlimineerd, ook lyriek en beeldspraak worden geweerd. Vanaf Terrein sneuvelt ook de continuïteit, de chronologie, een zekere narratieve samenhang of eenheid – zij wordt vervangen door nevenschikking, parataxis, parallellie. Het gedicht valt uiteen in losse waarnemingen of ‘shots’, soms middels beeldrijm of parallelmontage (op basis van overeenkomst in vorm, patroon, beweging) met elkaar verbonden.

    Een voorbeeld van dit procedé van beeldrijm biedt het gedicht ‘De zee is paars bij Piraeus’ (Terrein): een tak buigt door (onder het gewicht van een duif), een hengel kromt boven de zee (waarbij de bes aan het uiteinde van de twijg een pendant vindt in de niet expliciet genoemde dobber aan het eind van de vislijn).

    In zijn recentste werk keert dit procedé terug. In ‘De arm van een heftruck steunt op de grond’ lezen we de regel ‘Een krommende tak is een arm die werpt.’ Het gedicht eindigt met de regels: ‘Niets rinkelt er nog.// Het kleed op de pianotoetsen./ De oorbel aan het eind van de lel.’ Ook hier beeldrijm, sterker, parallelmontage: de ivoren pianotoetsen hebben het vermogen een rinkelend, tinkelend geluid voort te brengen, hoge, heldere tonen, net als zilveren oorbellen.

    De reeks ‘Charleroi’ is geschreven in de droge, zakelijke telegramstijl van een scenario – een opsomming, veelal elliptisch weergegeven, van al wat er zoal te zien is bij het station van Charleroi, in een passage, op een fabrieksterrein, bij een rivier, in de stad in verval, bij een metrohalte. Soms niet meer dan enkele steekwoorden: ‘Vuilnis op een boot./ Stenen op een boot./ Betonstukken op een aak, afgevoerd over de rivier.’ Kennelijk kon het nóg soberder.

    Het gedicht ‘Ik weet het nog’ is veel lyrischer van toon, gedurfder – en ook persoonlijker (het ‘ik’ keert terug, zich wendend tot een ‘je’): ‘Ik weet dat zodra de wind stilt je vogels tot rust komen/ je meegesleepte zeesterren vallen zacht van de wand’.

    In de reeks ‘Terug naar Acedia’, ten slotte, veroorlooft Lindner zich weer beeldspraak, en niet eens heel ingetogen: ‘twintig vogels vliegen op met het geluid van een ventilator’; ‘een man kust een meisje alsof hij uit de rivier drinkt’; ‘de tong van de glijbaan’; ‘een slagveld omgezaagde, gevelde stammen’.

    Ik ben benieuwd of Lindners eerstkomende volwaardige bundel aansluit bij de kale, elliptische, sec registrerende scriptstijl van ‘Charleroi’, of bij de meer lyrische en ‘beeldsprakige’ stijl van gedichten als ‘Ik weet het nog’ en ‘Terug naar Acedia’.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentWillem Thies
    Editie2015-1