Recensies

  • Honingprotocollen

    Monika Rinck
    Honingprotocollen

    Nevelbeelden

    De Duitse poëzie bloeit, dat kunnen we rustig stellen. Twee van de meest indrukwekkende bundels die ik de afgelopen tijd heb gelezen, zijn van Duitse makelij. Beide bundels zijn van relatief jonge, vrouwelijke dichters, die ondanks hun duidelijke verschillen wel met elkaar te vergelijken zijn. Van Marion Poschmann (1969) verscheen Landschap van wilde geruchten, een keuze uit het werk in een vertaling van Erik de Smedt. De bundel is door Azul Press gepubliceerd ter gelegenheid van Poetry International, waar Poschmann op zal treden. Van Monika Rinck (1969) werd, als resultaat van een samenwerking tussen Perdu, Poëziecentrum en Terras, de bundel Honingprotokollen in een vertaling van Miek Zwamborn uitgebracht.

    De gedichten van Marion Poschmann fascineren door hun, om zo te zeggen, precieze onnauwkeurigheid. Haar (voornamelijk) natuurbeschrijvingen doen surrealistisch aan, juist doordat ze de werkelijkheid met de observaties zo dicht op de huid zit. De eerste strofe van het openingsgedicht ‘naakt park’ is daar al direct een goed voorbeeld van:




    weigeringen; de herfst; een schedel zonder bladerdak:
    de geglazuurde dame onder druipende
    kastanjebomen, fijn
    email rond de hersenen als
    winterschors; met blikken die het dunnetjes
    uit mijn ogen zogen

    Tijdens de poging de bomen in het park zo nauwkeurig mogelijk weer te geven, komt het accent te liggen op datgene waar ze mee vergeleken worden. En precies daar gebeurt het, daar worden de bomen poëzie. Vertaler Erik de Smedt geeft in zijn nawoord aan dat Poschmann gefascineerd is door ‘verstoorde beelden’: overbelichte foto’s (er staan er een paar in de bundel afgedrukt), sneeuwig beeld; hij noemt het met een verwijzing naar Goethes Erlkönig heel kernachtig ‘nevelbeelden’. Een fascinatie die volgens De Smedt voortkomt uit een wantrouwen jegens het zichtbare.

    Het levert een droomachtig soort poëzie op, die desondanks op geen enkele manier vrijblijvend is. Dat komt door de scherpe observaties, of preciezer: de heldere beelden die op een raadselachtige manier iets dreigends hebben (‘een levende hondensnuit schuift/ door stevig gras’) en de intelligente verbanden (‘alsof dat zondoorschenen/ gordijn met zijn patroon op onze buiken/ honger voorstelt’).

    Daar zit ook meteen de overeenkomst met die andere fraaie vertaling uit het Duits, Honingprotocollen. Zeven schetsen voor gedichten die uitstekend zijn van Monika Rinck. In haar bundel zitten de in proza-achtige blokken gegoten gedichten op het eerste gezicht vrij strak in hun vorm. Maar na de – in de meeste gevallen - openingsregel ‘Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen’ lijken de regels naar buiten te willen breken, op alle mogelijke manieren: door ineens op een andere taal over te gaan, in hoofdletters te brullen, abrupt te stoppen, etc. Sommige gedichten zijn zelfs voorzien van een complete partituur, waarvan met name ‘Het lied van de ondankbare partygasten’ hilarisch is. ‘Zijn is en niet-zijn is niet,’ zingt bijvoorbeeld de sopraan. ‘Daartussen bestaat er niks’. Het koor zingt: ‘Shala la la, sha-la-la-la uuh’.

    Hoewel veel speelser, brutaler dan Poschmann, is het uiteindelijke effect ervan hetzelfde: de poëzie van Rinck is door de veelheid aan stemmen, invalshoeken en effecten eveneens surrealistisch te noemen. Het is een poëzie die de waarneembare werkelijkheid als uitgangspunt neemt, maar daar geen genoegen mee kan nemen. Een poëzie die op alle mogelijke manieren onze waarneming probeert te ondermijnen om te proberen te laten zien wat daarachter ligt. ‘Dat betekent: abstractie is geen antwoord op onvoorstelbaarheid’, schrijft ze gevat in een gedicht met de veelzeggende titel ‘Wat het was’. ‘O transparante wereld, helblauwe jij. Ik zag je de winkel uit rennen./ Ik zag je je verwijderen. Ik zag het Comomeer. Ik zag: wat het was.’

    UitgeverPerdu / Terras / Poëziecentrum
    Jaartal2015
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2015-2