Recensies

  • Door alle honderd harten wit te kalken

    Henk van der Waal
    Door alle honderd harten wit te kalken

    Dichter breekt kathedraal

    In zijn filosofische boek Mystiek voor goddelozen probeert Henk van der Waal een mystiek uit te dokteren voor onze al te rationele tijd. Hij streeft – en ik doe het veellagige boek hiermee totaal geen recht – een soort radicale openheid in de verbeelding na, waarin de betekenisgevende mens, door steeds weer te beseffen dat zijn weten tekortschiet, de verbeeldingsmagie vrij spel kan geven. Laat ik eerst benadrukken dat het echt een geweldig boek is. Geschreven als virtuoze dialoog, die enerzijds socratisch is en anderzijds geworteld in een mystieke basisvorm: het gesprek met ‘de Ander’. Maar het boek is ook paradoxaal, want het verhoudt zich uiteindelijk niet of te weinig tot het feit dat mystiek iets is dat zich niet laat uitdokteren, en daarmee laat het het na om de secularistische redelijkheid van vandaag helemáál te mystificeren. Terwijl dat wél de opzet van het boek lijkt. De toevoeging ‘voor goddelozen’ bijvoorbeeld is enerzijds logisch: er is vandaag een noodzaak om mystiek en religiositeit buiten de instituten te doordenken. Maar ze streept ook één magische mogelijkheid door: God. Van der Waal stelt dat je uit de ‘kathedralen’ moet stappen om de wereld in haar magie te kunnen aanschouwen, maar maakt van die beweging naar buiten soms zélf een kathedraal. En mystiek als radicale openheid – of radicale leegte – verdraagt geen enkele kerk, ook niet die van kerk- of goddeloosheid.

    Mystiek voor goddelozen is te lezen als de poëtica achter de dichtbundel Door alle honderd harten wit te kalken. Toch lijkt de dichter Van der Waal vrijer dan de filosoof. Trekt de filosoof nog een streep bij een al te menselijk godsbeeld, de dichter schrijft dat

     

    (...) tijd je omwasemt
    met zijn transparante oksel
     je bekrast met zijn fijn
    geschuurde vingers

    je kust met zijn rood
    gestifte mond als om

    je te smeken

     

    En ja, in onze mystieke verbeelding kan de tijdruimte van de kosmos een menselijke gedaante krijgen. Juist omdat we erdoor zijn ‘omspiegeld’ – een woord dat Van der Waal voorafgaand aan bovenstaand fragment gebruikt – omdat ons binnenste tegelijk onderdeel is van dat enorme buiten. Wat niet betekent dat Van der Waal zich tot dat menselijke godsbeeld beperkt. Hij grossiert in verbeeldingen, groots en subtiel, die hij spaak laat lopen niet door ze te deconstrueren maar juist door ze op te drijven totdat ze uiteenspatten in leegte. Neem de vele getallen in de bundel: honderd harten, drieëntwintig hechtingen zeven keer losgeplukt, diamanten zes keer geslepen, dertienmaal het breken van het zelf. In de rituele herhaling van dat motief wordt de vraag naar betekenis bij de lezer steeds groter, en juist omdat die betekenis er niet is – die getallen zijn geen code voor iets concreets – wordt ze onpeilbaar. En dat is waar Van der Waal je wil hebben.

    Dat is vaak heel lichtvoetig en grappig. De lezer ziet Van der Waal meer dan eens gniffelend aan zijn schrijftafel zitten. Hij schrijft, alluderend aan de veel gemaakte taalfout ‘zich beseffen’:

    je wacht

    want je beseft ineens
    dat de taal der mensen in die zin
    
gelijk heeft dat beseffen pas echt beseffen is
    als je de wederkerigheid van je

    verblijf zodanig opdrijft
    
dat ze vervluchtigt

     

    Beseffen is dus een interactie met een lege Ander: betekenis toekennen totdat de toegekende betekenis op de betekenisontvanger uiteenspat en die betekenisontvanger zich in die wederkerigheid toont in zijn betekenisloosheid: zoals vóór de betekenistoekenning. Deze poëzie eindigt niet in het echèc, ze wil erin beginnen.

    Dat Van der Waal dat doet in de taal van Mystiek voor goddelozenmaakt dat hij lijkt te spreken als de mysticus die net iets te goed weet wat hem te doen staat, wat de existentiële onzekerheid die ten grondslag ligt aan elk mystiek gevoel naar de achtergrond drijft. Maar goede poëzie ontstijgt nu eenmaal altijd zijn theorie, omdat in een gedicht het betoogde tegelijk de betoger is, omdat een poëtische tekst zichzelf altijd belichaamt. En wat zich belichaamt, maakt zich kwetsbaar. In het gedicht ‘Zelfvergeving’ wordt filosofisch uiteengezet hoe een mens zichzelf van schuld kan bevrijden. Maar het is ook een ontroerend portret van een mens die wordt verteerd door schuld en er niet van kan loskomen:

    je verschiet weer, want weet niet
    of je wel klaar bent voor de ontmanteling
    van de stemspleet waarmee je doorgaans
    je schuld schikt en je gebrekkigheid
    overschreeuwt (...)

     

    En dan: ‘toch doe je wat er van je wordt gevraagd:/ je breekt jezelf dertienmaal, ja, dertienmaal’. Gevraagd? Door wie? Hoezo zelfvergeving? Hier wordt niet alleen gezegd dat je de kathedraal moet verlaten, hier breekt de kathedraal waarbinnen dat gesteld wordt.

    Dat Henk van der Waal dit lastige simultaanschaakspel volbrengt in de meest heldere, transparante en lichtvoetige bundel uit zijn oeuvre, is misschien wel de grootste prestatie van Door alle honderd harten wit te kalken. Dit is een bundel van een dichter op de top van zijn kunnen.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2018
    RecensentJoost Baars
    Editie2018-2