Recensies

  • Kalfsvlies

    Marieke Rijneveld
    Kalfsvlies

    Parken als handdoeken te drogen

    Marieke Rijnevelds bundel Kalfsvlies is bij verschijnen met klaroengeschal ontvangen. Arjan Peters liet zich op een haast paginagrote recensie lovend uit over deze debutante. Al eerder dook haar werk op in diverse literaire tijdschriften en ook bereikte een van haar gedichten de Turing Top 100.

    Wie haar bundel openslaat, kan niet om de observatie heen dat haar gedichten bepaald niet ingesnoerd worden door het wit dat meestal zo volop rondom de strofen van gedichten staat. Rijneveld hanteert niet het adagium van less is more, eerder het tegenovergestelde geldt – waarmee ik bedoel dat in de paginavullende gedichten veel woorden worden gebruikt om daarmee iets kleins of kwetsbaars te duiden.

    Dat kleine of kwetsbare lijkt bij Rijneveld vaak de verteller of ik-persoon te zijn, die niet in staat is tot werkelijk contact, waaruit een behoefte aan betrokkenheid spreekt. Dat onvermogen om contact te maken speelt zich op allerlei niveaus af. Een mooie illustratie hiervan is het gedicht ‘Verdwaald’. Het kost de ik-figuur moeite betrokken te blijven bij de buitenwereld: ‘Straten zijn mikadostokjes, als je ze aanraakt/ verschuiven ze en ben je er niet geweest’. Een relatie aangaan met anderen is eveneens lastig: ‘een groot gapend gat op de plek waar ik aan mijn moeder dacht’. Zelfs het bereiken van een zekere mate van nabijheid met betrekking tot het eigen ik is moeizaam: ‘Na uren lopen verschuif ik steeds verder van mijzelf’, schrijft ze, en verderop: ‘mijn geest het mokkende kind dat slenterend het samenzijn wil rekken/ buiten is ze van mij alleen, binnen moet ik haar delen met het huishouden’.

    Rijnevelds beeldspraak is overdadig rijk, je zou zelfs kunnen zeggen: ongebreideld. Neem het Turing Gedichtenwedstrijdgedicht, met een opening waar je een moord voor zou doen: ‘In de ochtend hangen parken gespannen als handdoeken te drogen tussen/ gebouwen en metrostations, kraaien als knijpers op de omheiningen, kraaien als knijpers op de omheiningen’. Net als Bernke Klein Zandvoort en K. Michel zet Rijneveld hier een horizontaal vlak plotsklaps recht overeind. Je kijkt nooit meer op dezelfde wijze naar een park, vanaf nu is het een handdoek waar je tegenaan kunt hangen, en als je erop ligt, kijk je in de peilloze diepte van de lucht. Ook het beeld van kraaien als wasknijpers op de omheiningen is treffend, alsof het er altijd is geweest en je het nu pas ziet.

    De verbanden tussen Rijnevelds beelden en hun bronnen is echter niet altijd even helder, noch lijken ze altijd te kloppen. Bijvoorbeeld: ‘Huizen waar iemand is verloren ruiken ook anders, naar crème brûlée maar dan/ aangebrand’ – zo’n beeld is op zijn zachtst gezegd wel heel erg synesthetisch.

    Rijnevelds stijl doet sterk denken aan twee recente winnaars van de C. Buddingh’-prijs. De beeldspraak en de caramboleachtige manier waarin beelden elkaar opvolgen roepen sterke associaties op met Ellen Deckwitz’ donkertonige poëzie. Rijneveld laat een troostende hand ‘tot een halve sinaasappel gevormd’ zijn die ‘zwaar op je knie drukt’. Ze schrijft ‘drukt’, niet ‘ligt’, waarin het beklemmende gevoel zit dat Deckwitz’ werk ook kan hebben. De anekdotiek, familiethematiek en het lichte absurdisme hebben iets weg van Kira Wucks poëzie. Zou je Deckwitz’ en Wucks werk als cirkels deels over elkaar heen leggen, dan bevindt de poëzie van Rijneveld zich in het bollende oog middenin.

    Je zou daaruit twee dingen kunnen opmaken. Ten eerste dat Rijnevelds bundel uiting geeft aan wat in de hedendaagse poëzie leeft, en ten tweede dat Rijneveld het werk van deze jonge, succesvolle dichters intensief heeft gelezen en vanuit die modus haar gedichten schreef. Het lijkt er kortom op dat ze haar eigen toon nog moet vinden. Het is wachten op haar volgende bundel.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2015
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2015-3