Recensies

  • Mijn vader bad

    Jabik Veenbaas
    Mijn vader bad

    De verminking van een mankende man

    De eerste vijftien gedichten in de nieuwe bundel van Jabik Veenbaas schetsen een terloops dorpstafereel. Wie aan het woord is, wil om te beginnen naakt opgenomen worden door het slijk van een sloot. Er zijn jeugdvrienden waarmee paling gevangen werd en die krijgen een brief. Afscheid wordt er genomen van de grootmoeder: ‘in de kist nog glimlachte je/ om de dwaasheden van profeten’. De oorlog is voorbij, Veenbaas is veertien jaar na de bevrijding geboren, en toch ook weer niet, in het dorp dat hij beschrijft en dat onmiskenbaar zijn geboortedorp is, zo blijkt uit ieder gedicht. De vader vermoedt nog steeds soldaten voor de deur en granaten in de hoeken van de kamer. Opvallend is de sympathie voor de wijze moeder die zich vaders gekte met een glimlach laat aanleunen ‘(dat was/ een pijn van jaren)’. De rest van het dorp wordt geschetst maar komt niet uit de verf, alles wordt heel even aangeraakt. Boerendochters speelden in de zandbak, stoeiden even met je, raakten zwanger van de knecht en liepen daarna achter de kinderwagen en hup, uit is het gedicht. Is er een reden dat Veenbaas alles zo gelaten beschrijft dat er geen spanning op de regels zit? Een tante wordt begraven, een dorpsgek komt voorbij, een oom wordt herdacht. Het is niet onsympathiek allemaal, maar blijft ver weg.

    En dan zijn er veertien ‘Brieven aan mijn vader’ en daar lees je goede poëzie. Veenbaas vond een eerlijke vorm in het toespreken van de vader. De eerdere gelatenheid lijkt de basis voor begrip en mededogen. De zoon schrijft nietsontziend, de vader leert Sanskriet en snijdt zich bij het scheren. Veenbaas laat zich hier juist wel op momenten gaan: ‘de eindeloze tochten die je maakte op die klotebrommer van je’. Er is een mengeling van afschuw en bewondering, van liefkozing en afwijzing die de gedichten spannend houdt: ‘tegen mensen was jij niet bestand/ maar sneeuw en ijs waren voor jou gemaakt/ je ranselde ze genadeloos’. De zoon weet donders goed waar het probleem vandaan kwam: ‘vrijheid was een ander woord voor oorlog’. Die vrijheid is niets anders dan een man die mank loopt. Zijn vader was een held, maar pas maar op want dat woord ‘wil zeggen/ een hoogmoed, onhandelbaar, een hardnekkige/ droom van het boze’. Sterk is het als de dichter het perspectief van de vader inneemt, die zich verlegen voelt omdat hij denkt dat ze bij Dodenherdenking de last post voor hem blazen, omdat hij al gestorven zou zijn. Veenbaas vangt de gekte van de vader in een notendop. Maar uiteindelijk blijft hij alleen achter, met om zijn pols ’s mans horloge dat te traag loopt: ‘midden in de nacht kom ik je tegen/ ik vecht met je/ maar ik heb geen verweer’.

    Maar wat daarna? We zijn halverwege de bundel. Een foto volgt, iets over de school, huiswerk, het ouderlijk huis. Argeloosheid. Er staat niets op het spel, lijkt het. Veenbaas schrijft berichten aan jeugdliefdes die ternauwernood gedichten worden. Groeten aan het verleden. In een brief aan zijn moeder (‘The hills are alive’) zit veel tederheid, de dichter spreekt van een ‘krankzinnige man’ en zij die het huis zonder fundering overeind hield, opdat elk jaar de kleine zwaluwen terugkwamen ‘om te nestelen onder ons dak/ dat ze voor onverwoestbaar hielden.’ De moeder is ‘een vrouw van vijftig in een noppenjurk’, ze leeft met ‘een diep verdriet/ dat het niet van haar won’. Jabik Veenbaas noemt zijn gedichten in deze bundel ‘ijle illusies van het blijvende’. Het lijkt alsof de dichter de oorlog meemaakt in zijn geboortehuis waarin de moeder met haar vuile tranen de ramen zeemde. En als hij tot slot jaren later terugkeert naar zijn dorp, besluit hij sentimenteel dat het toch zijn enige echte huis is dat er staat: ‘ook al is er niets meer van over/ je wilt alles zien’.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2015
    RecensentErik Lindner
    Editie2015-3