Recensies

  • Het jaagpad op en af

    Saskia de Jong
    Het jaagpad op en af

    We zijn helder en hallucineren

    ‘We komen uw grenzen verleggen’, ‘We zijn helder en hallucineren’: zouden de gedichten hier zelf aan het woord zijn? Dat vraag je je af als je eenmaal geacclimatiseerd bent in het universum van Saskia de Jongs gedichten. Een universum waarin vooral de avontuurlijke inslag opvalt; het wemelt van de spannende teksten in de meest uiteenlopende vormen. Het is een volle, rijke, diverse bundel die sprankelt van ‘dichtlust’. Zelfs op de binnenflap is nog een gedicht ‘genaaid’; de poëzie puilt als het ware uit de zakken.

    De gedichten in deze bundel verenigen uitersten. Ze zijn denkerig én lichamelijk tegelijk. Hermetisch (‘verdikte vermoedens van plaats’, ’onherstelbaar vormverzuim’) én simpel, alledaags: ‘deinen in de wallevis’. Helder en hallucinerend. Ook abstract en concreet worden moeiteloos vermengd: ‘principes hebben we trainbaar gemaakt’, ‘giechelend golft de grond onder ons’ en ‘het kost een rozijn diep om na te denken’. Ten slotte is zowel het grote – het universum – als het kleine aanwezig: ‘een zekere zon glom buiten zijn grenzen/ pupillen kieperen het licht naar binnen’.

    Als lezer word je in allerlei verschillende dieptes gegooid. Een van die dieptes is de afdeling ‘Van de dingen de wortel’, met prozagedicht-achtige teksten die gebaseerd blijken op aantekeningen van een museumdirecteur. Het is een van de afdelingen in deze bundel waarvan je als lezer in het begin misschien denkt: wat ís dit? Na een tijdje lezen begrijp je dat de titel wellicht is bedoeld in de zin van: de oorsprong van de kunst, hoe dat allemaal ontstaat, hoe het tot stand komt. Wat in deze teksten duidelijk wordt – maar ik sluit niet uit dat een andere lezer weer iets geheel anders ziet, en ik denk zomaar dat die meerduidigheid, die niet vastliggende betekenis een van de bedoelingen is van deze poëzie – is hoezeer leven en kunst maken voor de scheppende mens door elkaar lopen: de verstrengeling van werkelijkheid en werk in het kunstenaarsbrein. Een kunstenaar staat nooit ‘uit’: het is steeds maar denken en afwegen. En een boel ontevredenheid, vaak moet het tóch anders, zo blijkt uit flarden als: ‘bedenkt dat hij het labyrint liever heel anders had gemaakt’, ‘is niet tevreden over de doorloop’; ‘is nu eens heel tevreden over het resultaat en dan weer heel ontevreden’.

    Een van de beschreven kunstenaars ‘laat achtentwintig flanellen overhemden maken’, die worden verscheurd en daarna weer ‘allemaal op hun plaats’ gezet. Misschien is dit een illustratie van De Jongs poëtica, van de noodzaak van het niet direct begrijpelijke, ‘grijpbare’ van kunst. Niets in haar werk voldoet aan enige verwachting; gebaande paden zijn nergens te vinden. Klaarblijkelijk omdat het móet: verrassing wekken, niet het voor de hand liggende kiezen.

    De Jong staat met haar werk duidelijk aan een bepaalde kant in het poëziespectrum, waar ‘ontregelende’ dichters als Tonnus Oosterhoff, F. van Dixhoorn (wiens debuut Jaagpad echoot in de titel) en Astrid Lampe zich ophouden. En vóór hen Lucebert en Hans Faverey. Het werk van deze dichters is weerbarstig en geeft zich niet gemakkelijk prijs, wat bij sommige lezers ergernis kan opwekken. Zo verzuchtte Maarten Doorman in de recensie van bovengenoemde bundel Jaagpad in 1993: ‘Het hoge woord moet er maar uit: ik begrijp geen moer van de poëzie van F. van Dixhoorn.’

    Ik moet toegeven dat het ook voor mij bij het lezen van deze gedichten soms slechts flarden zijn die mij iets zeggen. Maar tegelijk roept deze bevrijde(nde) poëzie ook de vraag op: wat is betekenis eigenlijk? Is het nodig? Is het uitstellen van betekenis niet leuker? Muziek en dans hebben óók geen betekenis. Het krampachtig zoeken naar betekenis is in ieder geval niet de beste manier om dit soort gedichten te savoureren. Je moet ze tot leven laten komen op dezelfde manier als die waarop ze geprogrammeerd zijn. ‘Verstaan’ is misschien een passendere term dan ‘begrijpen’: de beweging, de muzikaliteit volgen, en de associaties ondergaan.

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2020
    RecensentKiki Coumans
    Editie2020-2