Recensies

  • Het weefsel

    Daniël Vis
    Het weefsel

    Ernst en essentie

    Een gedicht wordt wat het is doordat een dichter het zo heeft willen maken. Nee: een gedicht wordt wat het is doordat een dichter zich voornam het te maken en het vervolgens liet worden wat het werd. Nee, wacht: een gedicht wordt pas wat het is doordat een lezer het maakt tot wat het is. Het gedicht is pas iets geworden zodra het werkt, zodra een lezer het heeft opgepakt en het voor die lezer iets is geworden met een betekenis, met een werking. Er is een verbinding ontstaan, in de vorm van het gedicht, niet tussen de dichter en de lezer, maar tussen de lezer en de wereld om hem heen. Dat is de werking van het gedicht, en aan die werking ontleent het zijn hoedanigheid. Een gedicht is voordat het gelezen wordt nog een huis dat al wel ontworpen is, maar nog niet gebouwd: ‘een vorm die er al is,/ alleen nog door iets moet worden aangenomen’.

    Ik las vandaag voor de derde keer Het weefsel uit, de derde bundel van Daniël Vis, en blijf tot diep in de avond verstrikt raken in pogingen om bij alles wat ik gewaar word de precies passende formulering te vinden.



     

    ‘herstellen’

              de dingen

    terugbrengen
    in hun oude staat,

    dat is:

    de dingen
    veranderen. 


    Met elke bundel tot nu toe lijkt Vis zich geheel te vernieuwen, maar wat deze bundel met zijn voorgangers verbindt, is ernst.
    Crowdsurfen op laag water, Vis’ debuut, was ernstig wild en rauw, de opvolger Insect Redux gleed in alle ernst af naar waanzin. Het weefsel blijft negentig pagina’s lang, in dunne en verspringende regels, ernstig cirkelen rond de vraag wat het inhoudt om te zijn: waardoor het zijn wordt gevormd en gedefinieerd, hoe het werkt en uitgedrukt wordt, hoe het de hele wereld vormt en door de hele wereld wordt gevormd. Lichte kost is het niet, en Vis maakt zich er ook niet met half werk van af. Waar ik aanvankelijk nog vreesde dat hij het zichzelf, en mij, met een scheutje Heidegger en een paar quasi-diepzinnige regels makkelijk zou gaan maken, raakte ik gaandeweg bedwelmd door zijn aanhoudendheid, door het Perzische tapijt dat hij door herhaling en variatie in bonkige, tastende woorden bleek te weven.

    met zoekende handen, onszelf

    en onze plaats
    bepalen,

    omdat we weten
    dat er een kamer is.

    een ontwerp –

    ons
    ernaar te voegen.


    Veel van de woorden en beelden die Vis inzet, kunnen overdrachtelijk worden opgevat, maar voor ouderwetse metaforen gunt hij zichzelf, en mij, de ruimte niet. Die zouden, zo lijkt het, ons maar afleiden van de essentie die uitgedrukt dient te worden. De essentie van ons
    zijn. En die essentie komt neer op ons functioneren in het geheel: ‘opdat de wereld vruchtbaar blijft/ en wij// er kunnen werken’. Niet voor niets doorspekt hij zijn weefsel tot vijf keer toe met regels van de Amerikaanse objectivist George Oppen: om tot de kern te komen, moeten we ons duidelijk tot de kern beperken, ‘waarin de dingen// elkaar verklaren’. En mis
    schien is dat alles wat er uiteindelijk over gezegd kan worden. We zwoegen omdat we ons voegen, en we voegen ons omdat dat ons functioneren vorm geeft. We leven, schrijven, lezen, worden gelezen en geschreven. Om af en toe op te kunnen kijken en elkaar een blik van herkenning toe te werpen, van lezer tot gedicht of van gedicht tot lezer, zoals in de laatste regels van de bundel:

    me,

    als een kelk
    aan je mond zetten,

               te drinken –


    deze liefdevolle vereniging,

                          de daad


    waarin ik je herken.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2020
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2020-2