Recensies

  • Olympisch zwemmer

    Lans Stroeve
    Olympisch zwemmer

    Nuchtere weemoed

    Het omslag van Olympisch zwemmer, de nieuwe bundel van Lans Stroeve, is een kunstwerkje op zich, zo prachtig als het balanceert tussen abstract en figuratief. De bundel is na zeven jaar de opvolger van Stroeves debuut bij De Arbeiderspers, Leerling in de tijd uit 2008, die overigens opvallend onopgemerkt bleef in kranten en weekbladen. Onlangs verschenen kort na elkaar ook twee eveneens mooi vormgegeven bundels in kleinere oplage bij Studio 3005.

    Het lijkt erop dat Stroeves werk zijn oorsprong vindt in prozagedichten. De eerste helft van haar omvangrijke debuut (86 pagina’s), bestaat haast geheel uit veelal beschrijvende teksten die iets van proza en iets van poëzie in zich hebben. Het gaat vaak om droom- of nachtmerrieachtige situaties: een trein (treinen komen overigens opvallend veel voor in haar werk) die van een spoorbrug afkukelt, oogbollen die vanaf de bodem van een bootje opkijken en die zowel van vissen als van mensen zouden kunnen zijn, het wordt op surrealistische wijze in het midden gelaten.

    Vanuit de weergave van afgeronde beelden van één situatie, scènes als het ware, heeft haar werk zich ontwikkeld naar geconcentreerdere en tegelijk gefragmenteerdere teksten. Dat is al in de tweede helft van de eerste bundel te zien, en zet zich voort in de bundel die zojuist is verschenen. Deze nieuwe bundel bevat niet alleen meer wit, maar daarnaast is er ter introductie van elk van de drie afdelingen een foto afgedrukt, waarvan een miniatuur is overgenomen in de inhoudsopgave. De foto’s bevatten in alle drie de gevallen waterlandschappen met een beetje lucht, aarde of groen. De precieze gedachte achter deze foto’s en de samenhang met de tekst is ietwat duister. Je voelt je als lezer een beetje onthand: mis ik iets?

    Een van de sterke kanten van het werk van Stroeve is dat er veel en uiterst nauwkeurig wordt gekeken; het bekekene wordt zorgvuldig en treffend verwoord. Het gaat vaak om op het eerste gezicht weinig opzienbarende zaken: een ‘waterzachte wang’, een snelweg die wordt beschreven als ‘alle banen vol met honderd, de zon schijnt het voorjaar mals’, een ‘leverkleurige’ gletsjer (vermoedelijk door het broeikaseffect), die naar ‘het strooigoed van huizen in de dalen’ reikt.

    De bundel bevat veel zinnen waarin je je enigszins zoekend een weg moet banen, zoals in de eerste helft van dit citaat, gevolgd door een aangenaam memorabele mededeling in de tweede helft, nuchter en zweverig tegelijk:

     

    Maar bij mij loopt een lijntje van de wijnfles op
    de bodem naar de zomer boven want het schijnt
    dat de tijd die je vissend doorbrengt niet door
    een god van je leven afgetrokken wordt. [...]
     


    De gedichten bevatten wel vaker algemene uitspraken of inzichten die tot denken aanzetten, variërend van ietwat ingewikkelde bespiegelingen als: ‘wat wij zien is wat we aankunnen, niet/ de werkelijkheid maar de wereld, door denk-/ vermogen aangepast met de weerspiegeling/ van licht’, tot charmante bespiegelingen waarin schrijven en leven door elkaar lopen: ‘Ik verzin niks, doorhalingen zijn bij mij golven’.

    Stroeve weet door haar manier van formuleren ook met tijdsverloop te spelen. Een voorbeeld daarvan staat in het mooie openingsgedicht van de bundel, ‘Zes formules voor een rouwbericht’ (die overigens niet direct als zodanig te herkennen zijn):

     

    Een boom hield zich staande.

    Daarna kwam er vertraging in de gang van zaken

     

    Deze tweede zin suggereert versnelling, maar beschrijft vertraging. Iets soortgelijks gebeurt in de beschrijving van ‘aan- en aanzwellend huisvuil’, dat vermeerdering suggereert door een woord te herhalen, maar het effect van een filmpje in een loop heeft: iets wat groeit en toch hetzelfde blijft.

    Behalve met tijdsverloop speelt de dichter ook met (vreemde) logica. Een voorbeeld daarvan staat in een gedicht waarin de ik wordt gegroet door een buschauffeur, waarop de de ik zich afvraagt: ‘maar kennen wij elkaar? ik draag toch ook een zwaar gezicht?’ Het laatste zinnetje staat er bijna achteloos, maar is eigenlijk hoogst ondoorgrondelijk. Zo zijn er tal van manieren waarop ze de taal als het ware bewerkt, zonder koket over te komen.

    De ondertoon van dit werk is die van een weemoedige kijk op het bestaan, verpakt in een vaak nuchtere en cruë kijk op de dingen. In het gedicht ‘Bij de teraardebestelling van Willem Pieters’, geschreven naar aanleiding van een ‘eenzame uitvaart’ – voor iemand die zonder aanwezige familie wordt begraven – wordt deze teraardebestelling letterlijk genomen: ‘De aarde staat open, de bestelling was bij uw geboorte/ geplaatst.’ De aansporing in de slotzin van hetzelfde gedicht is tekenend voor de nuchtere weemoed die eigenlijk het hele werk van Stroeve tot nu toe kenmerkt:

    Als er een brug is en er staan ons bekenden
    zwaai dan alvast.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2015
    RecensentKiki Coumans
    Editie2016-1