Recensies

  • & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal

    Bernard Wesseling
    & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal

    Meedogenloos op zoek naar woorden

    Een gevolg van Paul Rodenko’s duiding van ‘poëzie van het echec’ – in diens bloemlezing Met twee maten – is dat dat echec een soort norm is geworden. Bij Rodenko ging poëzie van het echec uit van de ontoereikendheid van de taal, wat een gedicht maakte tot een verslag van de mislukking van de dichter om in taal ergens naar te reiken, en waarbij dat onbereikbare zich kan tonen juist in die mislukking. Maar wie zo wil schrijven, moet paradoxaal genoeg juist een zo groot mogelijk geloof in de taal koesteren. Immers: hoe groter dat geloof, hoe groter de mislukking. Vandaag zien we echter dichters die de ontoereikendheid van de taal als uitgangspunt nemen. Zij proberen, door bij voorbaat van het echec uit te gaan, het echec voor te zijn.

    Bernard Wesseling lijkt zo’n dichter. Althans, als je afgaat op het eerste deel van zijn nieuwe bundel & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal. In het gedicht ‘Waagstuk’ beschrijft hij een vrouw. Hij neemt meteen een voorschot op zijn mislukking: ‘Ik weet het: geen portret doet recht. Maar toch’. Dan volgen beschrijvingen die hij meteen ontkracht (‘Een vanillekleurige huid (als vanille een kleur was,/ wat ze niet is)’. Waarom doet hij dit? Natuurlijk omdat hij haar wél recht wil doen, en gehinderd wordt door het besef dat wat hij ook doet, zijn verbeelding haar alleen maar zal schaden. ‘Ik mag haar niet de verwoesting in staren,’ schrijft hij. Zo is het dat hij, door van het echec uit te gaan, het echec voorkomt.

    Maar dit wantrouwen in de verbeelding is voor een dichter niet handig. ‘Ritueel, onderbroken’ beschrijft een kind dat drenkeling speelt. Moeder panikeert, haalt het uit het water en scheldt het de huid vol. Het kind huilt, het spel is uit. Maar als dit kinderspel de dood ritualiseert, zoals de titel suggereert, wordt dat dan door moeders paniek onderbroken of juist volbracht? Een ritueel is net als kinderspel ‘doen alsof’, en daaraan komt door moeders interventie een einde. Maar tegelijk werkt een ritueel juist als alle deelnemers de uitgespeelde gebeurtenis volkomen serieus nemen. Zo bezien is het juist de paniek van de moeder die van het kinderspel een ritueel maakt.

    Met andere woorden: Wesseling ziet hier een echec waar dat er niet is. De dood is door het kind beangstigend volmaakt in spel gevat. Dat is het met verbeelding: doe je het met overgave, dan wordt het echt. Maar Wesseling kiest er in het eerste van de twee delen van zijn bundel te vaak voor om zich als talige verbeelder afzijdig te houden. En dat geeft deze gedichten iets onbevredigends.

    Anders is het in het tweede deel. Hier zijn de gedichten ongecompliceerder, zonder reserves opgeschreven miniaturen van hedendaagse mensen en gebeurtenissen. In de serie ‘De eenzaamheid van de soort’ beschrijft Wesseling ‘Jeroen, 21, student biochemie en maagd’. Hij googelt dagelijks Wikipedia naar woorden voor wat hij voelt: ‘Weltschmerz. Weemoed. Ennuí. Spleen.’ etcetera. Hij doet dit niet ‘half zo meedogenloos als hij denkt dat goed voor hem is,’ maar hij ‘mist de autoriteit om aan te vullen.’ Zo moet een dichter zijn. Iemand die, wetende dat zijn taal ontoereikend is, toch ‘meedogenloos’ woorden zoekt en in de botsing op de grenzen van zijn taal zijn meest volledige aanvulling vindt.

    Of neem het prachtige titelgedicht, waarin iemand aan een graf een dode probeert te herdenken en zichzelf voorhoudt ‘dat er geen tijd is/ om alles te herinneren zoals het was/ maar wel om wat te beleven/ zoals het moet worden herinnerd’. Schitterende regels. Herinneren is niet accuraat terughalen wat er precies gebeurd is, maar in het echec van de herinnering nieuwe herinneringen maken waarin de vervaagde oude herinneringen een plek kunnen hebben. Ook hier is de verbeelding weliswaar ontoereikend, maar de dichter Bernard Wesseling zeker niet.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2016
    RecensentJoost Baars
    Editie2016-2