Recensies

  • Aan het licht

    Meity Völke
    Aan het licht

    Reflectie op de status quo 

    Aan het licht is de debuutbundel van Meity Völke, winnares van de tiende en laatste editie van de Turing Gedichtenwedstrijd in 2019 (die dit jaar een vervolg krijgt onder de naam De Gedichtenwedstrijd) met het gedicht ‘Onder water’. Dit gedicht is ook in de bundel opgenomen en vindt daar zijn context. Want hoewel de aanbiedingstekst van De Arbeiderspers de gedichten omschrijft als ‘op zichzelf staande universa die ieder voor zich aan hun eigen wetten voldoen’, is de verbinding tussen de in totaal 44 teksten onontkoombaar: in ritmiek, woordkeus, vertelperspectief en thema vinden de gedichten elkaar steeds opnieuw.

    In het eerste deel ‘Komen’ worden ons enkele stemmen voorgesteld: er is een ik en een jij, de man met de hoed, de vrouw, de jongedame, de vader en een dode dichter. Hun paden kruisen op verschillende momenten in de tijd. De zes gedichten vormen een netwerk van onderlinge verwijzingen, met aan het eind een advies van een dode dichter: ‘Gebeurt het érgens, dan toch nu en hier,// geen pen of woord of zin biedt hartenklop./ Het zijn de daden waar u van kunt leven./ Ik leefde niet. Ik heb alleen geschreven.’ 

    De kaders voor de rest van de bundel lijken gezet: we duiken tegen wil en dank een familiegeschiedenis in. In de volgende zeven delen komen de verschillende stemmen opnieuw aan het woord, ontvouwt zich een universum dat de contouren van een jeugd in een groot gezin in een klein dorp in Limburg (gezien het Frans en de kersenvlaai) prijsgeeft: ‘Ontsnappen wilden wij. Waaraan? Ons lijf. Ons dorp,/ dat godvergeten spook. Het jeukte in de straten./ Dertien telden wij. Haast elke nesthaar uit ons hoofd’. We lezen oorlogsverhalen en liefdesgeschiedenissen, dromen over verjaardagen, maken kennis met dode familieleden, krijgen een summiere introductie op een historie in Nederlands-Indië. Stuk voor stuk onderwerpen om een hele dichtbundel mee te vullen, maar Völke neemt de lezer in vogelvlucht mee. 

    Er zit een grote snelheid in de bundel, mede vanwege het ritmische taalgebruik en vele binnenrijm. De figuren in de gedichten worden omringd door de elementen: het waait, regent, brandt, aardt, er wordt gezwommen en gedreven. Ook in taal creëert Völke een universum waarin de lezer heen en weer gebonkt wordt: het rijm en deritmes worden steeds krachtig onderbroken door de straffe enjambementen tussen regels en strofes.

    Ontsnappen aan jezelf, aan je jeugd en aan geschiedenis is zo makkelijk nog niet, net als het vinden van verzoening, en ook schrijven helpt daar (in eerste instantie) niet bij: ‘Hier geen dichter maar een activist. De pen is mij/ een huls, uiteindelijk lost hij ledig op. Het blijvende/ venijn zit in de vingertop waarmee ik spuitbussen/ bedien. Verf is gif. Is inslag. Geen gedichten hier.’ In het laatste deel belandt een ik bij de psycholoog om hechtingsproblematiek te bespreken en kunnen we ‘Onder water’ in een groter geheel begrijpen:


    Verder nooit begrepen dat slakken dakloos
    kunnen zijn, dat een pasgeboren zeeschildpad alleen
    naar het water kruipt. Misschien snap ik alleen de egel
    die bij nood zijn kroost aanvreet maar ook niet helemaal.
    Wie snoert de dierenriemen zo strak aan?

    Al schrijvend vindt de ik een haakje: ‘Een verzoenen is het niet, nee. Misschien/ een accepteren, een erkennen dat ik weet/ dat ook dezachtste mond twee hoeken heeft/ maar wegen doet het niets.’ Een wat zure conclusie die weinig verlichting brengt. 

    Aan het licht lijkt eerder een reflectie op een status quo dan de beschrijving van een weg naar verlossing, het voorzetsel ‘aan’ een implicatie van zich richten tot en zich aan de rand van bevinden. Het licht is in deze bundel dan ook geen doel op zich, eerder een manier om grip te krijgen, even onontkoombaar als het schrijven zelf.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2020
    RecensentKim van Kaam
    Editie2020-1