Recensies

  • haar vliegstro

    Peggy Verzett
    haar vliegstro

    Het begint al nergens op te lijken

    ‘Klassiek gedicht’ staat er bovenaan de tweede pagina van haar vliegstro, de derde bundel van Peggy Verzett, waarop een veertien-regelig, sonnetachtig gedicht volgt. Hoewel het niet helemaal duidelijk is of ‘Klassiek gedicht’ de titel dan wel de eerste regel vormt, kun je met een beetje moeite na acht regels (of negen, dus) in ieder geval nog wel een volta of wending ontwaren, waarmee het gedicht over een slapende moeder omslaat in een gedicht over de aankomende dood van die moeder. Die dood van die moeder is gelijk de kern van de thematiek van de bundel.

    Er is niets klassiek aan dit gedicht, noch aan de rest van de nieuwe bundel van Peggy Verzett. Onderaan dezelfde pagina van het sonnet volgen vier regels van een nieuw gedicht dat doorloopt op de volgende pagina. En zo is ook de rest van de bundel vormgegeven: iedere pagina bevat steeds pakweg anderhalf gedicht of juist twee halve gedichten. Het zorgt voor een wilde bladspiegel die tart met de brave standaard, waardoor je nooit helemaal weet of je je halverwege, aan het begin of aan het einde van een gedicht bevindt.

    Afgaande op de bladspiegel wil deze bundel nadrukkelijk experimenteel zijn en op zoek gaan naar een eigen vorm. Later in de bundel worden pagina’s met korte verzen midden in een strofe plots opgevuld met prozazinnen die bijna de volle breedte van de pagina benutten. Hier en daar verschiet het lettertype ineens in een schreefloze variant. Ook in de grootte van de letters wordt zo nu en dan gevarieerd. Een spaarzame vet gedrukte letter duidt ergens op een titel, elders op een dialoog. Soms is een heel gedicht vetgedrukt.

    Lang niet altijd is de relevantie van deze vormkeuzes helder. Bovendien is het de vraag of dit werk inhoudelijk dezelfde verrassingen laat zien als de vorm doet verwachten. Ik ben die verrassingen zelf niet veel tegengekomen. Tegelijkertijd is de bundel ook niet gespeend van rake zinnen en taalvondsten, die meestal eerder lijken te zijn geboren uit klankassociaties van de dichter dan uit inhoudelijke motieven. Eindrijm tref je hier niet, maar veel allitereert en assoneert in haar vliegstro. Soms ontspoort zo’n klankassociatie en wordt die te ver doorgetrokken, maar voor de welwillende lezer kan het even vaak een zeker aanstekelijk effect hebben. Elders is het ronduit flauw. Dat maakt dat een bundel met sterke zinnen als ‘Het begint al nergens op te lijken’ ook nogal oninteressante constructies bevat als ‘Alles kan, alles mag, alles kanmag’.

    haar vliegstro handelt over de dood van een moeder. Een moeder van een dochter, om precies te zijn. De gedichten draaien om die dood heen, als hebben we van doen met een soort emotionele thriller waarvan het mysterie zich nergens helemaal laat ontrafelen. De bundel opent met de regel ‘Begin is eind is begin’. Paradoxaal, maar ook glashelder. Het gedicht verloopt vervolgens wat raadselachtiger.

     

    Begin is eind is begin

    begin een eind, begin ik een eind

    haar einde een begin in een begin kan ik haar
    einde als een kind, ik begin een kind
     
    ik begin het einde van een kind

    ik begin haar kristal

    eindelijk een berg in een landschap
    een heuvel om voor op te blijven

     

    Wat begint als een cliché (het einde dat een begin inluidt) ontspoort enigszins in de nogal enthousiast doorgevoerde herhaling die langzaam verschuift in betekenis. We maken respectievelijk een transitie mee van een definitie naar een handeling (‘begin ik een eind’), naar een precisering (‘haar einde’), naar een mogelijke herschrijving van de definitie (‘in een begin kan ik haar/ einde als een kind’), naar een nieuwe handeling (‘ik begin een kind’) en ten slotte naar de consequentie daarvan na de dubbele witregel, die tevens een nieuwe handeling aankondigt (‘ik begin het einde van een kind’). Pas daarna wordt het ‘einde’ losgelaten, hoewel die heimelijk weer terugkeert in het ‘eindelijk’ van de op één na laatste regel, en wordt er ineens een heel nieuwe metaforiek geïntroduceerd. Plots hebben we van doen met edelstenen en glooiende landschappen. De slotregel ‘een heuvel om voor op te blijven’ is een prachtige zin, vind ik, maar ik weet niet goed weet wat het moet betekenen. De verwarring schuilt vooral in het uitgedrukte gevoel van momentum ‘om voor op te blijven’ dat zo merkwaardig contrasteert met het tijdloze van de heuvel.

    Verzett zoekt dergelijke paradoxen graag op. Dat doet ze de ene keer wat genuanceerder dan de andere. Ongeveer halverwege de bundel heeft ze met de woorden ‘ze’ en ‘is’ een soort kruis gevormd, zodoende steeds het zijn van de ‘ze’ benadrukkend (‘ze is’) en bevragend (‘is ze’) en tegelijkertijd het woord ‘zeis’ vormend. Het gedicht vormt een breuk in de bundel, waarna de moeder even iets meer naar de achtergrond verdwijnt. Het is een ambigu kruis op het grafbed van de moeder dat al nergens op begint te lijken.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2016
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2016-3