Recensies

  • Alsof niemand hier onsterfelijk is

    Jacobus Bos
    Alsof niemand hier onsterfelijk is

    Witter dan wit

    De zon die door kalme wolken heen
    probeert te komen die eerder als orkaan
    een ander werelddeel hebben geteisterd
    met stormen en oneindig veel regen
     
    legt een vaag meetkundig raadsel
    op het houten blad van de tafel
    waar een leeg wit bord op staat.

     

    Wie zo een bundel begint, laat de lezer geloven een bundel stillevens binnen te stappen. Het leven op stillevens is elders, zoals de orkaan in dit fragment elders is. Maar dit openingsgedicht in Jacobus Bos’ achtste bundel Alsof niemand hier onsterfelijk is, eindigt met een kapitein van een vergaan schip, op de bodem van de oceaan, die omhoog kijkt naar een straaltje licht. Hier is het leven niet elders, maar voorbij.

    In Alsof niemand hier onsterfelijk is wordt zelfonderzoek gedaan. Maar over Bos – toch al een enigma in de Nederlandse poëzie (had u ooit van hem gehoord?) – kom je weinig te weten. Hij onderzoekt meer hoe, in filosofische zin, een ‘zelf’ tot stand komt. Bos schrijft over zijn eigen zelf als een persoon (vaak een ‘hij’) die hem volkomen vreemd is. ‘Waar hij is ben ik’, luidt een van de afdelingstitels in de bundel. Dat levert veel strijd op, strijd die niet elders is, maar hier. Er wordt oorlog gevoerd, op kelen getrapt, het waait, onweert en bliksemt, water treedt buiten oevers, boodschappers worden onthoofd, en ga zo maar door. Een zelf zijn is ‘hij’ zijn, en dat houdt bij Bos strijd in:

    Ik ben vooral in oorlog met mezelf.
    Ik ben mijn eigen ergste vijand.
    
Ik weet niet wie ik ben.


    Zo wordt het verlangen naar het leven tegelijk de negatie ervan, want wie een zelf, een hij, een iemand is geworden, wordt meteen weer niemand. In ‘Niemand herinnert zich alles’ is die Niemand een personage. Hij staat met zijn rug naar een rustige zee. Hij háát die rust, een haat die in één klap wordt neergezet met de briljante regel: ‘Zo’n lege parkeerplaats van water.’ Waarom? Die haat is strijd: Niemand wordt daar dus weer iemand. Het gedicht besluit met een rondvliegende dode vogel: ‘Vol verbazing staart Niemand hem na.’ Is Niemand een romantische ziel die zich afvraagt waarom hij niet gewoon als vogels kan zijn? Nee, het feit dat de vogel dood is, zet die romantiek op zijn kop, op even grappige als verpletterende wijze. Er is geen ontsnappen mogelijk aan de onmogelijkheid om te leven, zelfs niet in de dood, want zelfs de doden vliegen als zombies rond.

    Of toch? Tegen het einde van de bundel richt Bos zijn aandacht op een schilder, Jonas, die een schilderij maakt naar het voorbeeld van Vincent van Goghs, Korenveld met kraaien. Het wordt een schilderij ‘dat wemelt van de witte sterren’:

    Witter dan het doek dat voor hem staat.
    Witter dan zijn eigen witte schaduw.


    Hier wordt niet ‘nog eenmaal de kamer wit’ gemaakt (Gerrit Kouwenaars Totaal witte kamer), maar het doek witter dan wit. Nietser dan niets. Niemander dan Niemand, lees ik ook. Bos gaat voorbij Kouwenaars berusting in de dood. En dus, kun je zeggen, ook voorbij de dood zelf. Het raadselachtige beeld van een wit doek met verf die nog witter is, spiegelt het beeld van het ‘meetkundig raadsel’ in het eerste gedicht, waarin de zon met schaduwen een patroon schildert op een wit bord. Zo vloeien Niemand en Iemand – die twee onverenigbare soorten zelf – samen. Alsof, inderdaad, Niemand (of Iemand, of Iedereen) hier onsterfelijk is.

    Dat Alsof niemand hier onsterfelijk is dat daadwerkelijk bewerkstelligt, maakt de bundel groots. Tel daarbij op de kraakheldere taal, de losse toon, de uitermate strakke composities en de filosofische gelaagdheid, en je moet vaststellen dat Jacobus Bos meer aandacht verdient dan zijn nu al acht bundels durende onzichtbaarheid.

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2016
    RecensentJoost Baars
    Editie2016-3