Recensies

  • Vertakkingen

    Albertina Soepboer
    Vertakkingen

    Al die leegte

    Met haar derde bundel bij Atlas Contact zet Albertina Soepboer een consistent oeuvre voort. Ook in Vertakkingen ogen de gedichten klassiek, maar zijn ze dat in geen geval. De regelmatige opbouw, in bijvoorbeeld vierregelige strofen, fungeert vooral als de afbakening van het speelveld, waarbinnen wilde sprongen worden gemaakt, in zowel klank als beeld. De strakke vorm van de gedichten blijkt al snel de enige houvast, met het gegeven dat verschillende elementen in meerdere gedichten terugkeren.

    ‘Alles in deze bundel zingt met elkaar, verbonden zoals alleen een boom kan verbinden’, meldt de uitgever in de flaptekst, die nadrukkelijk is bedoeld als leeswijzer. In deze tekst wordt het beeld van een boom gebruikt om de werking en opbouw van de bundel te duiden. We dienen de bundel te beschouwen als een boom en de gedichten als haar takken (en de regels als vertakkingen daarvan). De takken en vertakkingen zijn weliswaar verbonden met de boom, maar zijn toch ook zelfstandig (‘in hun cyclus van de eerste bloei naar het verlies van blad’).

    Nemen we voor het gemak even de eerste strofe van het openingsgedicht, dan leren we al direct dat we de regels niet primair in samenhang met elkaar moeten lezen:

     

    het licht speelt tikkertje op de langste dag
    een vrouw loopt langs de dijk, boodschap
    een kikker in de sloot, aardappels op land
    lange stappen de vlakte op en al die leegte


    Het zijn, onaardig gezegd, losse regels, onder elkaar geplakt en nogal parlando. Maar ze fungeren inderdaad niet helemáál los van elkaar: waar het lijkt alsof er per regel een nieuw gedicht begint, rijst er uit het geheel toch wel degelijk een beeld op. In dit geval is dat een beeld van het platteland, met die dijk, de kikker, de aardappels en natuurlijk het specifiek soort licht dat wordt beschreven. Er staan verderop in het gedicht ook regels die poëticaal zijn te interpreteren (‘wie dat leven zo niet verdraagt, die mag/ best wel aanzitten met een lepel, maar zeg/ niet dat het je te recht is, dat het te krap zit’) en in de slotregel van het gedicht wordt gesproken over ‘de ademtocht, de mens die onderweg zoekt’.

    Dit zoeken bepaalt het wezen van Soepboers poëzie. Het zijn steeds kleine observaties, die ongetwijfeld een rol spelen in het grotere geheel, maar de vraag blijft: wat is die rol, en wat is het grotere geheel? Opvallend is dat de beelden niet heel scherp worden geformuleerd. Beelden als ‘grijs doemen de bomen op’, ‘de vergezichten die ik verzamelde’ en ‘op het schoolplein zit het kind op de prullenbak’ zijn zo algemeen geformuleerd dat er heel veel ruimte wordt opengelaten. Bovendien onderbreekt de dichter zichzelf voortdurend met gedachtestreepjes, citaten van PJ Harvey en Kate Bush en eigen woordbouwsels die op hun beurt eerder vragen oproepen dan dat ze verhelderend werken (‘schopballen’, ‘verbouwkeet’, ‘jakkerbus’). Zo wordt de lezer tot eenzelfde soort zoeken aangezet.

    Maar, nogmaals: een zoeken waarnaar? Daar wordt in Vertakkingen niet expliciet iets over gezegd, maar er worden wel sporen uitgezet, aan de hand van een aantal (per reeks variërende) terugkerende elementen en begrippen (o.a. sneeuw, soldaat, kind). In sommige reeksen worden de gedichten onnadrukkelijk gekoppeld aan de daarop volgende gedichten, zodat er letterlijk een spoor ontstaat:

     

    aan de verstenende vrouw bij zee – de oude molen
    waar appelbomen verkocht worden, een late man
    hoge duinen, een geweer – maar ik doe het hek open
     
    ik knip de onderstroom in beelden uiteen – kijk maar
    hoe ze de oceaan in haar rok bewaart, de cider drinkt
    en de tafel leegveegt – verbeeld je maar alles, doe hier


    Het hierop volgende gedicht in de bundel begint met de regels: ‘zoals de werkelijkheid tegen een struik aanleunt of/ de hemel mij te grazen neemt’. Hier is even een glimp van de bestemming zichtbaar. Het verbindende element in de gedichten, het begrip dat in alle reeksen terugkeert, is namelijk de ‘hemel’, al dan niet boven een landschap of in combinatie met licht. Het eerdere werk van Soepboer was duidelijker mystiek, maar het is niet gewaagd te veronderstellen dat de grondtoon ook in deze bundel een hang naar het ‘hogere’ is. Wie met deze gedachte in het achterhoofd de bundel nog eens leest, kan de diverse verwijzingen naar bijvoorbeeld het bidden en goden niet missen. Dit is maar één element, één tak aan de boom, om het zo te zeggen. Andere takken zijn bijvoorbeeld de beschrijvingen van het landschap en de taal zelf. In het op één na laatste gedicht worden die twee met elkaar verbonden (‘het landschap een aandenken/ om bij te zetten – uitgeklede taal – hierboven plat/ gemaakt’). Zo verwijzen de taal en het landschap naar elkaar en reiken de gedichten een leegte in. Zoals een boom de takken een lege lucht in steekt.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2019
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2019-3