Recensies

  • Abri

    Liesbeth Lagemaat
    Abri

    Rijk kleurenpalet vraagt soms om context

    Met titel en omslag plaatst Liesbeth Lagemaats zesde bundel Abri ons alvast voor een bijzonder contrast: op het omslag is een detail van een acht- tiende-eeuws Chinees behang te zien, dat een draken- bootrace afbeeldt, terwijl we bij het woord abri toch vooral denken aan de hedendaagse reclamehokjes waarin je kleumend op de bus wacht.

    Begrijpelijker wordt deze titelkeuze als we teruggaan naar de oorspronkelijke betekenis van ‘wijkplaats’ of ‘toevluchtsoord’. Ook in haar debuut Een grimwoud in mijn keel, waarvoor ze de C. Buddingh’- prijs ontving, bood Lagemaat een schuilplaats aan een veelheid van stemmen. In het eerste van de vier delen van AbriEn de wereld verdwijnt met de knip van een schaar, zijn die stemmen afkomstig van schilders. Abri opent met een schrijnende schets van de oude dag van de twintigste-eeuwse magisch realist Pyke Koch, die, terwijl hij zich voorneemt om aan zijn bezigheden te beginnen, zijn trage bewegingen ingehaald ziet worden door de schemering: ‘Je had nog extra eieren laten komen vanochtend. Ze hoefde niet aan te bellen/ kon de mand zo de hal in schuiven. De deur op een kier. Later op de dag zou je// naar beneden, echt.’

    Dat een kunstenaar aan het woord is, weten we dankzij de doorschemerende blik van een man voor wie de wereld uiteenvalt in verschillende pigmenttinten en verfsoorten. Met dat ‘diep chocoladebruin’ en ‘Florentijns groen op aquamarijn’ lijkt het of Lagemaat een soort visuele poëzie opzet, waarin kleuren oplichten en het taalgebruik danst.

    Verwijzingen naar een kunstenaar en zijn werk zijn altijd riskant: wanneer de lezer het doek of beeld in kwestie voor zich ziet, kan alles prachtig op zijn plaats vallen, maar wie onwetend is, tast in het duister. Hoe dieper je in Lagemaats poëzie verwikkeld raakt, hoe meer voorkennis je zou willen hebben. De gebeurtenissen die ze beschrijft, de mensen die ze noemt, de voorwerpen waarnaar ze verwijst – voor wie Pyke Kochs biografie uit zijn hoofd kent, zijn dit wellicht allemaal vernuftige verwijzingen, maar ieder ander raakt de draad onherroepelijk kwijt. Een nieuwe interpretatie van Edvard Munchs De schreeuw, als een afbeelding van een man die op weg naar zijn werk was maar nooit aankwam, werkt in dat opzicht beter: daar voegt Lagemaat nieuwe betekenissen aan onze bestaande herinneringen toe. Bovendien is voor deze visuele kunstenaars de taal nooit ver weg: ze zoeken naar het ‘metrum van vallen’, voelen zich ‘in versregels gefragmenteerd’. Ze worden in verzen gevangen, maar die taal is niet hun thuis.

    In het tweede deel laat je je weer makkelijker meevoeren door Lagemaats over de regels tuimelende zinnen: ze blijft zich weliswaar braaf in distichons uitdrukken, maar maakt meer ruimte voor herkenbare emoties, die voorbij dat ene, specifieke biografische moment liggen. In de cyclus ‘Schuldig. Kaars, kroes. John’ verhaalt ze over een man die in een gevaarlijke leisteengroeve werkt, en die wordt verzorgd door zijn vrouw. Liefdevolle details van de ‘alledagenthee’ die ze ‘nog voor een splinter licht’ voor hem zet, het grijs dat ze uit zijn haar wrijft en de korsten die ze uit zijn broodzak vist contrasteren met zijn wens ‘geen vrouwenvingers hier in huis’ te hebben.

    Maatschappijkritisch wordt Abri in ‘Monoloog van de pijlstormvogel’: de mensen dringen tot voor kort ongerepte natuurgebieden binnen ‘met hun giftaal, hun adem,/ hun huid’ en ‘hun/ inktzwarte praat-en-luister-, zie-en-ik-besta- trechtertjes’. Met haar verwijzingen naar Hadewych en Libelle in deel drie vermengt ze opnieuw het verwaarloosde oude en het populaire hedendaagse; in het vierde deel laat ze met zinnen als ‘Zeg me/ dat de Baba Jaga je gezonden heeft, please, be ein Märchen’ ook de taalgrenzen los. Ze keert dan terug naar het persoonlijke dat ook ons raakt: om het droeve lied van een soldatenvrouw te kunnen doorvoelen, hebben we geen context nodig.

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2018
    RecensentAnne van den Dool
    Editie2019-2