Nieuws

<< Nieuws
  • Anne Vegter ontvangt de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    Anne Vegter ontvangt de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    Gepubliceerd: 8 april 2022

    Zaterdag 2 april ontving Anne Vegter de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022 voor Big Data. Lees op onze website het juryrapport van Maria Barnas en Onno Kosters en het dankwoord van Anne Vegter.          

    Foto van de uitreiking van de prijs door de burgemeester van Zutphen, Annemieke Vermeulen: Patrick van Gemert

     

     

    Juryrapport Ida Gerhardt Poëzieprijs 2021

    Anne Vegter, Big data (Querido, 2020)

    In Big data van Anne Vegter wordt woede omgebogen tot een krachtige en onderzoekende stem zoals die niet eerder heeft geklonken. Via Ingrid Jonker in de eerste afdeling ‘Europa doen’, een ik-personage dat vermoedelijk dicht bij de dichteres zelf staat in deel twee, ‘Big data’, en een evenzo persoonlijke, geheel naar eigen hand gezette hervertelling van het verhaal van Medea in deel drie, beschrijft Vegter drie vrouwen die worden verlaten door hun geliefden. De afdelingen vertonen een sterke samenhang; de rode draad is die van verlies, trauma en woede. In het ‘interview’ met de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker (1933-1965) lezen we hoe de breuk met verschillende geliefden een existentiële crisis veroorzaakt. De stem die Vegter voor Jonker heeft ontwikkeld is rauw, humoristisch en op veel plaatsen opmerkelijk hedendaags: ‘altijd maar dansen, wie trekt dat’; ‘Er is echt een iets te grote bak praatprogrammapsychologie over me heen gekieperd.’ Zo wordt Jonkers verhaal een voorschot op deel twee en drie, waar Vegter met schitterende beelden het recente teloorgaan van een liefde, een leven, niet alleen inzichtelijk maar op het diepste niveau – haast fysiek – invoelbaar maakt:

     

    elke ochtend uit dertig maanden
    zwiept haar hart tegen haar ribben
    als een rubberen emmer

     

    De ‘big data’ uit de titel lijkt in eerste instantie met name de opeenstapeling van gegevens die de lezer te ‘verwerken’ krijgt bij het in kaart brengen van de trauma’s van de vrouwen. In deel twee en drie wordt de overspelige ‘man’ net geen varken, een big, ‘pig boy’. Daarmee wandelt het silhouet van het varkentje dat het omslag siert de bundel binnen. Het beeld maakt de man zowel vertederend als grof, zowel afstotelijk als warm. Het illustreert de dynamiek van walging en omarming, van afstoting en weigering te laten gaan die uit de bundel spreekt. De man is een verraderlijk krimpend beest, waar geen afscheid van genomen kan worden:

     

    varken is te groot
    biggetje te klein
    te onschuldig
    je bent niet onschuldig
    je bent geen varken
    je bent kleiner
    maar ook weer niet zo klein
    ik noem je big
    iets wat het midden houdt
    tussen leven en geleefd worden

     

    Vegters talige universum is uniek. Ze weet met taal te verleiden, te troosten, om zich heen te slaan en een eigen plek te veroveren. Zoals eerdere bundels al lieten zien – bijvoorbeeld Eiland berg gletsjer (2011), onlangs in het Engels vertaald en bekroond met de PEN Translates Award – weet Vegter vanuit een aanstekelijke, unapologetic en rebelse taaldrift een wereld neer te zetten waar altijd plaats is voor de fragiliteit en de wanhoop van de mens – en in het bijzonder van die van de vrouw.

     

    Vegter heeft nooit geschuwd de vrouw met volle lichamelijkheid en (conflicterende) geestrijkheid neer te zetten –  een prestatie waar generaties dichteressen na Vegter de vruchten van plukken. Vóór Vegter werd dichteressen veelal geraden het vrouwelijke uit de gedichten te schrappen. Sinds Vegter is duidelijk dat juist het doorleefde werk vanuit de blik van de vrouw zinderend materiaal kan zijn. Zeker in de handen van de grootmeester(es), die al van iets dat lijkt op een beginnende paniekaanval een aangrijpend gedicht kan maken dat het concrete overstijgt en plaats maakt voor het onbeheersbare:

     

    Ook als je wakker wordt boven een sterfgebied en je gespt kinderen vast als gordels: laat mij
    eens door een raam kijken of het daar erg is, zie je er niets van want het is een diepteoorlog.
     
    Ook als een doelwit vanaf de grond toch naar je zwaait en je verlangt naar bleke sterren
    op zo'n voorhoofdje, taxie je over het oefenveldje van je grimassen en je speelt elk karakter.
     
    Ook als je naakt naar de kinderen loopt en guilty zegt guilty dat woord kennen jullie toch dat je
    niets gedaan hebt maar bekent en je geeft je huid, reep na reep, want het is een diepteoorlog. (Uit Eiland berg gletsjer)
     

    Het direct lichamelijke, het erotische en sensuele dat het werk van Vegter ook kenmerkt, is platvloers op een verfijnde manier en genereus in associaties, beeld, ritme en klank:

     

    Ook als ik het ontzagwekkende volgens jou niet begrijp en mijn mond imiteert
    het geluid van brekende steen niet precies genoeg, te fijn, verschrikt, nieuw, neuk je me.
     
    Ook als ik in bed naar stemmen op straat luister en iemand zal haar 'oortjes dichten
    als je nu weer' en ik denk of ze dapper is omdat ze zachte antwoorden geeft, neuk je me.
     
    Ook als ik de veranderlijke betekenis van de letter l niet herken (leidmotief, leek,
    langparkeerder) en ik zeg lava op je salvo en of liefste het is de l maar, neuk je me. (Eiland berg gletsjer)

     

    De herhaling van ‘neuk je me’ roept de zich almaar herhalende lichaamsbeweging op humoristische en enigszins uitputtende wijze op. De liefde – zoveel mag duidelijk zijn – is bij Vegter nooit een vanzelfsprekendheid maar een voortdurend conflict van innerlijke en uiterlijke, wringende motieven.

    In Big Data gebruikt Vegter, zeker in de openingsgedichten van deel drie, ‘Medea 2.0 (Monoloog)’, de nodige clichés, die ironisch genoeg toepasselijk zijn in de situatie die zelf een cliché is – en als zodanig worden herkend en ingezet:

     

    voor goed begrip
    mijn man heeft me
    na twintig jaar
    plotseling verlaten
    voor een jonger exemplaar
    met twee dochters
    (gaap)
    zette zijn voet tussen mijn deur en drempel
    (gaap)

     

    ‘Medea 2.0 (Monoloog)’ is een tot doorlezen dwingende hervertelling van Medea’s wraak op Jason, die (er is hoop) niet afloopt zoals in de oorspronkelijke mythe en Euripides’ drama. Al scheelt het niet veel. Medea doodt haar kinderen; Medea 2.0 doodt niet haar ‘darlings’, maar in het zestiende gedicht volgen we haar in een ‘automonoloog’ die zowel intens dramatisch en wraakzuchtig is als uitermate grappig:

     

    voel dan klootzak
    voel dan hoe het is
    ik heb je neusbot opengelegd
    heb ik je kaak op drie plaatsen gesplitst
    je schedel in lengtefracturen, draadscheuren
    je voeten als door een wals gehaald

     

    ga uitgerust op weg […]
    laat je ogen aan het duister wennen […] 
    voeg in
    hou afstand
    zoals in file
    gas loslaten
    het nieuwe rijden
    huh

     

    Flarden uit het blog ‘’s Nachts autorijden: 20 tips voor in het donker’ krijgen iets hilarisch, maar dan al snel iets dreigends: ‘elke twee uur een stop inlassen’ leidt tot ‘adem uit adem in in uit niet te diep in door de neus’, leidt tot ‘ken je wild’, ‘gas’, ‘richt de verwarming op de voeten’, ‘voel hoe je hartslag afneemt’ en ten slotte ‘adem uit.’ In het achttiende gedicht vindt dan het onvermijdelijke auto-ongeluk plaats waarin moeder en kinderen bijna omkomen.

     

    waar is medea
    tijdens de automonoloog
    ze crasht
    ze tikt met de voorbumper een paaltje aan
    in het donker.

     

    Ze belt de vader, die nu ineens wel wil komen (‘nu heb je het ineens niet te druk met neuken’). Het gesprek is ijselijk.

    De gedichten in ‘Medea 2.0’ hebben een dwingende vorm; ze stuwen de lezer tot de onvermijdelijke conclusie, of conclusies, in de prozagedichten waarmee de reeks wordt afgesloten:

     

    iemand raadt haar therapie aan. Bedoeld voor mensen die wel zouden willen huilen maar niet
    kunnen omdat ze in de overlevingsmodus zitten. Voor honderdtwintig tot tweehonderd euro
    per maand kan ze begeleid worden in e-crying. […] in haar feitelijke vorm is de geschiedenis
    ondraaglijk. herschrijf haar nu woedend.

     

    Die woedende herschrijving is wat we net lazen, begrijpen we. Waarmee we opnieuw het gedicht – een leven – in worden gestuurd.

    Vegter weet van tegenstrijdigheden haar kracht te maken. Ze kan de lezer op een verstilde manier ontroeren, maar blaast de lezer net zo gemakkelijk omver met secuur gecomponeerde schommelingen tussen tederheid en razernij, aarzelingen en wijsheid.

     

    Maria Barnas en Onno Kosters




    Dankwoord van Anne Vegter

    Even vooraf, unapologetic,  hoorde u dat woord zonet? ik heb ’t snel voor ons gegoogled, betekent schaamteloos of onbevangen, zeker niet akademisch en nu mag u kiezen: is Big data onbevangen of schaamteloos, of zijn beide opties goed. Optie ‘weet niet’, staat er niet tussen, de jury heeft gesproken.


    AANWEZIG

    Geachte burgemeester Vermeulen, geacht bestuur van de Stichting Zutphen Literair, beste tweekopsjury Maria Barnas en Onno Kosters -criminals van het stunning juryrapport-, lieve Annette Portegies en Mirjam van Hengel, mijn redacteuren/ uitgever, vliegende engelen tijdens mijn verzamelwoede van big data, hier neergestreken, lieve oude vader Vegter van vijfennegentig die uit Epe is gekomen om er helemaal bij te zijn, dierbare zonen, fijne siblings, familie, collegadichters (Arjen en Hagar) oude en nieuwe vrienden en lieve onbekenden. Hoe speciaal is dit en wat een juryrapport.  Schitterend geschreven, maar legt ook nog eens een grootse brug tussen big data en eerdere poezie. Als het waar is dat mijn werk vrouwen na mij inspireert zich uit te spreken op papier, dan heb ik een steen in een plas gegooid. Dank voor die plaatsbepaling. Ik word er blij van en onuitstaanbaar onhandig.

     

    ANDER ONDERWERP

    Geachte allen, een boekpresentatie is nog geen prijs, maar een prijs is wel een boekpresentatie. Er is geschreven, het is gezien en het wordt gevierd! Ik dank jullie voor dit momentum, dit feest voor de dunne bundel met de dikke titel. Ik ben vrolijk en hang slingers op. Geel blauwe, helaas. Toen de allereerste recensie van Big data in 2020 binnen een paar dagen na verschijning op ons matje lag, appte Annette, mijn uitgever één woord: rechtvaardigheid. Ik ben geen jurist maar mijn Big data eiste zeker bestaansrecht op. Het verzocht toegang tot het literair discours, om het eens even te hebben over femalegaze ten opzichte van dominante malegaze (de geïncorporeerde mannenblik op vrouwen, ook door vrouwen belichaamd). Het was toch allang tijd voor gesprek over sleetste keuzen versus actuele ervaring.  Maar eerlijk is eerlijk, deze bundel schreef ik langs de lijnen van pijn en verdriet en intense gevoelens van onmacht. En hoe ga je daar dan over schrijven? En heb je het dan nog over kunst? Of holt zo’n werkje inderdaad richting therapie, het woord viel immers in het allerlaatste deel van de bundel, de jury refereerde er fijntjes aan. Het schrijven van de monoloog over de toeren van een hedendaagse Medea en een misschien ietsje minder hedendaagse Jason werd een persoonlijk forensisch onderzoek. Want, botsing op botsing, vlek op vlek: in mijn bundel staan ‘gehechtheid en slijtage’ op gespannnen voet met elkaar. Er komt scheuring van in een verhouding. Een systeem valt uit elkaar. Voordat de troepen definitief hergroeperen moeten de sporen onderzocht worden door een technische recherche. Ik schreef getuigenverklaringen, volstrekt subjectief. De objectieve feiten plakte ik steeds als memostickers aan de achterkant van mijn gedichten. Of zegt u liever prozagedichten, of zegt u liever theatraal materiaal? Alles valt of staat met de toon van een werk. De zoektocht is wat te vertellen… maar vooral hoe. En met welk mogelijk effect. De belangrijkste vraag is wát er moet worden onderzòcht. Ter voorbereiding van mijn versie van de Medea van Euripides schreef ik voor de middencyclus van Big data een gedicht dat daar misschien een doorkijkje in geeft. De uitleg laat ik liever aan de recherche over.

     

    1. TUSSEN BABY’S EN LEUGENS
    inmiddels goed op gang met mijn onderzoek naar de oorsprong van de leugen
    ik raapte een babylichaam op dat ademde zonder kern
    er zijn dacht ik, er zijn is er omheen zijn
    gelukkig gaat het goed met baby, die van zichzelf doorlatend
    baby bijpraten is traagwerk
    dat lukt beter aan de kust, naast iets moois:
    neem de zon of nee, de zee, neem de zee en haar superspeelse houdingen
    mijn zoons zeggen dat ze groeien van het onmenselijke geschitter
    voel de pulsjes, allemaal echt
    maar de zee is ook keihard: klotsen, zwelgen, uitspuwen
    ik zeg het niet graag, maar de zee is eerlijk
    even tussen de vader en mij, vanwege het onderzoek:
    had ik je nou betrapt op een aanloop
    ging jij nou heimelijk springen
    diep onder jou kleurt de zee van licht naar schuld, een noodsprong
    dit weten mijn piepjonge zoons, die houden overdag niet van verkleinwoorden
    maar een baby maak ik er niet gek mee
    baby is de honger tussen toestand en verzadiging, zeg eens dierlijk eerlijk
    dierlijk, eerlijk
    nu kan ik verder, het is avond
    baby wil mee en strekt zich in mijn armen
    o, lief warmkloppend lichaampje versus jouw hart, een wak
    sta je nou weer te twijfelen
    gewoon springen, blijven springen
    schippertjes, niet meer omkijken, wij gaan hup, naar huis

     

     

    IETS OVER DE TOTSTANDKOMING

    ‘Mijn Medea’ heette de map in mijn laptop met Medea2.0-documenten. Er  kwamen steeds meer slierten tekst in terecht. Anekdoten uit liefde en leven, liefst verknoopt zodat ik in de taal iets uit te rafelen had. Een kleine aanleiding, ja het begin van een paniekaanval, kon in belachelijke regels toch een mooie gordiaanse knoop worden, met behulp van één man, éen vrouw en nog een vrouw. De hoofdrolspelers. Wat ik mezelf toestond was: de kraan vanbinnen open zetten. Bij gevolg was er op een dag in de zomer van 2019, na maanden stilte ineens de map ‘Mijn Medea’ met een Medea2.0-document van 199 pagina’s.  De tekst klotste over de plinten. Toen kwam Mirjam in beeld, mijn redacteur. Ze las het document en schreef: “Omdat het zo veel is, en zo flarderig en ik ook als lezer door de bomen het bos niet zie, heb ik als een snoeiharde boswachter gerooid en geruimd.”> Nou, Dat was een realitycheck. Ik had de humuslaag aangemaakt, maar Mirjam zag overal rare struiken uit de grond schieten. Ik zei: “Doe er wat aan.” Je kunt wel als een Cerberushond voor je tekstplantage blijven zitten, maar de strijdlustige blik van een boswachter dwingt wel eens iets anders af. Ik heb één ding geleerd van het maakproces van Big data: wakker meebewegen is een even grote kunst als radicaal verzet.

     

    IDA GERHARDT

    Hoe zou Ida G. over ’t jurybesluit van Barnas en Kosters denken?  Eerder buitelde een mislukte jury van deze prijs over straat van ergernis vanwege het prioriteren van de balanceeract tussen vorm en inhoud. Ida Gerhardt had daarover onverbiddelijke standpunten (zelden op een enjambementje te betrappen). Deze jury koos onverstoorbaar voor mijn bundeltje, dat weliswaar zorgvuldig is vormgegeven, gevuld met mooie zwarte schutbladen gelet op de soms macabere inhoud èn een prima lettertje dat wij het Lucebertlettertje noemen, maar evenwicht in vorm en inhoud van gedichten was blijkens het juryrapport dus geen issue en dat lijkt me dan ook een criterium dat nu definitief de prullebak in mag. Ida Gerhardt kreeg tijdens haar leven zelf een flink bord prijzen te verstouwen waaronder in 1980 de PCHooftprijs. Bij die gelegenheid schoot ze een verdict de wereld in:  “Omgang met poezie,” betoogde ze uitdagend “is,” (citaatje) “uitsluitend mogelijk bij volledige inzet” en die eist, hamerde ze verder, “volledig afzien van de eigen bedoelingen, in de zin van neven-bedoelingen, bij-bedoelingen, dat vraagt morele strijd, altijd opnieuw, en wie als dichter, als literator, of als criticus deze strijd met zichzèlf niet aandurft, doet beter zijn industrie te staken.” Ziezo. Is hier een nooduitgang voor mij? Aan welke bij-bedoelingen ze dacht verklapt Ida Gerhardt helaas niet en bij industrie hield ze vast de stam van het latijn ‘struere’ in haar fiere klassieke achterhoofd. ‘Struere’ als in: ordenen, ìk moest dat natuurlijk wèl even opzoeken. ‘Indu’ als in ijverig, rijmt op bedrijverig. Industrie. Je bedrijf maar beter opgeven, zoiets dus, als je  bedoelingen met je product hebt. Kan ik nog weg? Doorzichtige bijbedoelingen had ik volop, de namen van Ingrid Jonker en Medea stonden al jaren gebruiksklaar, anderen volgden hun Werdegangen eerder of schreven er over. Ik heb levens van anderen gebruikt. Ik heb het risico genomen mn werk als kitch te laten wegzetten.  Ik had bijbedoelingen. Ik joeg achter de roofdieren van mijn geluk aan.  Ik wilde een schuldvraag boven tafel krijgen. Iemand ter verantwoording roepen.  Ik heb vrouwen in mijn bundel ruimte gelaten te breken of òp te strekken. Maar nooit te buigen. Nooit. nooit.  Ze  is hier niet in persona vanmiddag, dat is zo jammer. 25 jaar geleden stierf ze. Maar als Ida G. meeluisterde, had ze me dan op de vingers getikt? Tuurlijk.  Waarschijnlijk vond ze er niks aan, die expliciete woorden van me in overderegelstromende zinnen en vergezochte enjambementen.  Maar waar ze volkomen okay mee zou zijn is met vrouwen die breken maar ook weer opstrekken,  nooit buigen. Nooit Nooit. Ik denk toch dat ze een piepklein duimpje zou opsteken in haar graf.

     

    ARJEN DUINKER EN HAGAR PEETERS

    Ik mocht Arjen en Hagar uitnodigen om vanmiddag voor te dragen. Ze wilden het!  Hagar Peeters laatste bundel draagt een titel waarmee ze wat mij betreft op elk podium kan staan. “De schrijver is een alleenstaande moeder”. Hagar liet me zien dat een persoonlijke geschiedenis lijnen in werk kan uitzetten, die je met je eindeloze speelse taalgevoeligheid om jezelf en luisteraars heen kunt leggen. Lijnen die verbanden leggen tussen intergenerationeel trauma.  Zo belangrijk in deze tijd, waarin pijn moet helen. Iedereen praat over haar voordracht, ik ook, maar ik praat vooral over de overrompelende moed waarmee ze zich het vrouwelijk perspectief toeeigent en vergroot. En hoe ik me daarmee verwant voel. Mijn fantastische compaan Arjen Duinker is een onwaarschijnlijke taaltovenaar. Voor alle duidelijkheid. Elke regel van een Duinker is sterk. Dat moet van hem en zo doet hij dat. Vanwege zijn levenslange onverzettelijkheid, zijn mesmeriserende vrolijkheid, zijn trouw en zijn waanzinnige tekeningen, vanwege dat ik zoveel leer van zijn gebrek aan onzin, zijn zin, zijn teveel aan vitaliteit en hij zal niet buigen.

     

    Dat was het. Dank u allemaal!

    Anne Vegter, 2 april 2022

     

    (niet uitgesproken antwoord aan ML Rijneveld n a v niet-vertoonde video)


    MLR

    Marieke Lucas, je hoort me niet, ik hoor jou wel. Ik kan niet zeggen: “Ben zo blij als een koe met zeven uiers,” want die uitspraak muntte jij zelf, na bekendmaking van je Bookerprize. Je kreeg de Ida Gerhardtprijs editie 2020 en nu ik dus. Je bent de jongere broer waarop ik wel eens hoopte toen ik een buitenboy was in Friesland, tussen mn 8e en mn 16 e, een die net als jij op laarzen door het weiland stampte, ijs en weder dienende. We kennen elkaar van ons werk. We laten zien dat het persoonlijke niet persé pervers is, maar als een perpetuum mobile van richting kan veranderen,  om zich te ontworstelen aan onderdrukkende systemen. Dat je transformatie emotioneel of fysiek kunt verbeelden, in woorden. Schrijfboers waren we. Jongens.

     


    De recensie van Dieuwertje Mertens, uit het najaarsnummer 2020 van Awater is hier te lezen.