Columns

Iedere week schrijft een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Onze vijf columnisten zijn Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk.
<<Terug
  • Bestaan in een landschap

    Bestaan in een landschap

    Twee jaar geleden bezocht ik het theater in mijn toenmalige woonplaats Antwerpen. Na afloop van de voorstelling liep ik naar de vestiaire. Een theatermedewerker overhandigde me een witte zakdoek. Bij het openvouwen van de stof verscheen er een gedicht; zwarte handgeschreven letters op een vierkant stuk stof. Ik las de regels, vouwde het gedicht daarna weer op. Bij thuiskomst wapperde ik het stuk stof uit en hing het aan de muren van mijn kamer in Antwerpen.

    Het gedicht was geschreven door de toenmalige stadsdichter Maarten Inghels en is opgenomen in zijn bundel Contact (2018); een zorgvuldig vormgegeven boek dat door zijn grootse omvang, lichtroze kaft en binnenwerk opvalt. Bij een eerste lezing verwonderde ik me al over de vorm. Waar veel dichtbundels bestaan uit tekst, bestaan tekst en beeld in Contact naast elkaar. Inghels verbindt poëzie met beeld en performance. Hij toont dat poëzie veelomvattend is. Dat het niet alleen op papier maar ook in een landschap kan bestaan.

    Die benadering vind ik mooi. Zo is poëzie er niet alleen voor degene die een bundel aanschaft, maar ook voor de wandelaar in de stad en de bezoeker aan het theater en park. Het leeft in de omgeving waar het al dan niet is ontstaan. 

    De bundel zette me aan het denken over mijn eigen praktijk. Naast het schrijven, maak ik beeldend werk. Op de kunstacademie zocht ik continue naar manieren om beeld en taal te combineren en deze naast op papier, ook in ruimtes te plaatsen. Tegenwoordig bestaan mijn teksten vaak op papier. De bundel stimuleerde me opnieuw na te denken over de mogelijke vormen van poëzie.

    Hoe kan een gedicht bestaan in de stad, langs een rivier of in een tuin? Hoe groeit het in een landschap? Met eetbare zaadjes plantte Inghels de titel van het gedicht Wanneer wij zomer zaaien in elkaar in vier Antwerpse tuinen en parken. Daarna gaf hij de woorden water. Inmiddels zullen de woorden zijn verschenen in rucola, radijs en tuinkers. Ze zullen zijn gezaaid en geplukt. Misschien zijn de gewassen over elkaar heen gegroeid, is er een nieuw gedicht ontstaan.

    Het interessante aan gedichten in de (buiten)ruimte vind ik, dat ze mede gevormd worden door de omstandigheden die daar gelden. Het gedicht kan verweren door zonlicht, het kan worden verplaatst, er kan worden toegevoegd en weggehaald. Op die manier is er een wisselwerking tussen poëzie en omgeving; gaan ze een gesprek aan. 

    In 2017 schreef Inghels op oudejaarsavond op de grond met brandbare inkt en een fakkelpen het gedicht Het uur vuur. Wanneer hij aan het einde van de eerste zin kwam, was het begin van de zin alweer verdwenen. Elke letter brandde een minuut. Het laatst brandende woord was beweging. Langzaamaan doofde het gedicht.

     

    Het uur vuur
     
    En bij het licht van weinig woorden
    De geschiedenis van de dag opzeggen
    De stad maakt in mij een avondwandeling
     
    Mijn hart is zeep en ik was tijd
    In de weigering van een einde
    De genezing van een herhalende beweging. 

     

    Inghels laat zijn gedichten groeien en reizen. Zoals de zakdoeken die werden verspreid in de vestiaires van verschillende theaterzalen. Soms stopte hij een zakdoek in iemands jaszak. ‘Wie op weg naar huis zijn sleutels zocht, vond een gedicht.’ 

    Uiteindelijk is de zakdoek twee keer met me meeverhuisd, twee keer van omgeving gewisseld en twee keer opgevouwen en uitgevouwen. Nu hangt het gedicht naast het raam van mijn woning in Rotterdam en wiegt het af en toe op de wind mee.


    10 september 2019