Columns

Vanaf juli 2019 schrijft bijna wekeljks op deze plek een jonge, talentvolle columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Het huidige team van columnisten bestaat uit Daniëlle Zawadi, Malika Soudani, Quinten Langes, Willemijn Kranendonk, Rachel Rumai Diaz en Anne Bosveld. Het werk van de andere columnisten is natuurlijk ook terug te lezen.

 

<<Terug
  • Wat poëzie mag zijn

    Wat poëzie mag zijn

    Een vervolg op Wat poëzie moet zijn

    Iemand stelde mij een tijd geleden de vraag: Wanneer heb jij een kans gewaagd? Ik dacht terug aan Wiskunde en spel een programma van deBuren in de reeks Spelbrekers, waarin poëzie en theorie samenkwamen tijdens een avond gemodereerd door Fiep van Bodegom. Filosoof en wiskundige Jean Paul van Bendegem vertelde over wiskunde en spel en wat deze twee met elkaar te maken hebben. Op een gegeven moment zei hij, toen het ging over keuzes maken in een spel en in het leven, ‘Je bent nooit klaar met twijfel.’ Met die woorden breng ik mezelf tegenwoordig tot rust wanneer ik weer symptomen van het creative imposter syndrome begin te vertonen. Want schrijf ik wel genoeg? Mag ik mezelf überhaupt een schrijver noemen? Zo ja, doe ik mijn collega-schrijvers uit het heden en verleden dan eer aan met mijn poëzie? Schrijf ik poëzie?

    Alhoewel ik mezelf als schrijver onder de autonome kunstenaars schaar, voel ik de vrijheid van autonomie pas sinds ik aan mijn afstudeerwerk begon te schrijven. Ik begon met een specifiek idee voor de inhoud en vorm, bedacht aan de hand van de schrijflessen die ik had geleerd. Maar dit werk was helemaal van mij benadrukte mijn afstudeerbegeleider. Het hoefde niet te voldoen aan de voorwaarden van een willekeurige studieopdracht. Het moest juist een werk zijn waarmee ik mezelf als schrijver lostrok van de kunstacademie en een positie innam in het literaire landschap. Zo schreef ik in de loop van ruim drie maanden in plaats van complete stukjes proza of traditionele poëzie (wat dat ook moge zijn) Waar ik een slaapkamer heb gehad. Een verhalende poëziebundel vol bondige notities over mijn herinneringen aan alle plekken waar ik een slaapkamer heb gehad. Ik twijfelde lang en vaak over welk literair genre ik aan de bundel moest hangen. Als iets poëzie heet, wordt het ook zo bekritiseerd. Of het geslaagde poëzie is of niet, is dan aan hen die daar iets over te zeggen hebben.

    In september dit jaar ben ik begonnen aan de bachelor Criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Vorige week las ik voor een werkgroep literatuur over een theorie waarin de rol van professionals in het strafrechtsysteem in twijfel wordt getrokken. De focus wordt daarmee verlegd van de rechter en de advocaat, naar de daadwerkelijke betrokkenen bij een conflict/misdaad. Wat zou zo’n verschuiving betekenen in de wereld van de literatuur, waarbij het succes van een auteur en diens werk soms valt of staat bij de woorden van literatuurcritici en het aantal verkregen sterren in de krant? Wat poëzie is, is even ongrijpbaar als de vraag zelf. Voor mij is poëzie in elk geval meer dan de vorm, meer dan techniek en het aantal woorden per regel. De essentie van een tekst kan poëtisch zijn net als het woordgebruik en de zinsopbouw. Poëzie is spelen met taal en daar goed in worden. Wat goed hier betekent, is, met de focus op de schrijver en de lezer, niet meer aan de criticus, maar aan de auteur en diens lezers.


    Waar ik een slaapkamer heb gehad verscheen in eigen beheer in een kleine oplage van honderd. De bundel was snel uitverkocht, maar is nu via mijn website ook te bestellen als PDF.


    29 september 2021