Columns

Vanaf juli 2019 t/m februari 2020 schreef iedere week een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Deze columnisten waren Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk. Vanaf december 2020 start een nieuwe groep jonge columnisten met schrijven over poëzie. Dit zijn Daniëlle Zawadi, Malika Soudani, Maxime Garcia Diaz, Maxine Palit-de Jongh en Quinten Langes. Maureen Ghazal en Willemijn Kranendonk blijven ook columns schrijven. Dus iedere week weer een nieuwe column over poëzie.

 

<<Terug
  • Samen poëzie lezen

    Samen poëzie lezen

    Er wordt wel eens gezegd dat je enkel bestaat in relatie tot de ander. Als je het zo bekijkt, ben je dus alleen een persoon als er iemand is om je tegenover te verhouden, als er iemand is om mee te praten, als er iemand is om je te aanschouwen. In je eentje ben je dan een half-mens. Ik heb hier veel over nagedacht en ik denk dat deze stelling raakt aan hoe het is om poëzie te lezen.

    Sinds een jaar begeleid ik een groepje cursisten met het lezen van poëzie. Aan het begin van de cursus, tijdens onze eerste ontmoetingen, hadden we het enkel over gevoelens die gedichten bij hen opriepen. We lazen Tjitske Jansen, Lieke Marsman en Vasalis. We praatten over wat de gedichten voor hen betekenden en waar ze aan moesten denken tijdens het lezen. Ze vertelden over de onmacht die ze voelden tijdens het lezen van de Geklokte gedichten van Maarten van der Graaff, die ze ook wel een beetje raar vonden, over hoe verdrietig de gedichten over de psychiatrische patiënten van Vasalis hen maakten.

    We zijn nu een jaar verder en vorige maand bespraken we de eerste helft van Wie was ik van Alfred Schaffer. Schaffer gaat in dit laatste werk op zoek naar wie zijn moeder was, en wie hij is in relatie tot haar.

    Tijdens het bespreken van het gedicht Wat kan ik mij herinneren voelde ik dat mijn cursisten waren veranderd, dat ze niet enkel meer over hun eigen gevoelens en eigen anekdotes nadachten, maar het werk als een geheel zagen. Als iets waar je een gesprek mee kan voeren, als een grote puzzel waarin ze kunnen zoeken naar de aanwijzingen van de schrijver. We bespraken de volgende passage:

                4.
                nederland was een voetje voor voetje-land
                een slordig schoongespoten slachthuis met dat bruuske aroma
                van geronnen bloed oud vlees en schoonmaakmiddelen
                nederland was een voorprogramma, er waren zat zitplaatsen.
                nederland telde twaalf miljoen zielen en ik was een voorbode
                van wat komen zou, die moddervette duisternis, daar waar god was.

     

     

    Een van de cursisten merkte op dat er nergens in de bundel hoofdletters voorkomen, zelfs niet bij landsaanduidingen of het woord ‘god’. Iemand anders vroeg wie de ‘ik’ hier is. De zoon? Of de moeder? De moeder van Schaffer kwam als jonge vrouw van Aruba naar Nederland om hier als verpleegster te werken. Sprak zij in dit stukje over het zijn van een voorbode van meerdere arbeidsmigranten die later naar Nederland zouden komen? De cursisten discussieerden met elkaar en ik zat rustig naar ze te kijken, naar hoe ze elkaar vroegen naar wat er bedoeld werd met ‘voetje voor voetje-land.’ Iemand merkte wijs op: ‘Omdat zij als zwarte vrouw moeilijk vooruitkwam in Nederland? Of vanwege het Poldermodel?’

    Ik leunde stilletjes achterover en dacht: Deze bundel is een persoon geworden, iemand om je tegenover te verhouden, een gesprek mee te voeren, van te kunnen leren. Mijn cursisten hadden zo trouw alle poëzie gelezen het afgelopen jaar dat ze nu konden interpreteren. Ze bestonden voor nu enkel nog in relatie tot het werk van Schaffer. Ik was enkel een tussenpersoon geweest. Ik kan niet wachten tot we volgende maand de tweede helft van de bundel gaan bespreken.


    28 april 2021