Columns

Iedere week schrijft een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Onze vijf columnisten zijn Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk.
<<Terug
  • De Twijfelaar

    De Twijfelaar

    Ik pas op de goudvis van mijn zusje. Naast me ligt Meditations in an Emergency, een gedichtenbundel van Frank O’Hara. Dit is de derde zomervakantie op een rij dat ik er niet ‘tussenuit’ ga. Toen ik mijn moeder vertelde dat vier weken veel te lang zijn voor een vakantie en dat de gedachte alleen al, aan een autoreis van twee dagen, me claustrofobisch maakt, vond ze mij een probleemmaker. Ze begrijpt me in ieder geval voor de helft - ik ben maker minus probleem- dat is meer dan ik óoit door iemand begrepen ben, (thanx mam).



    Ik staar naar de kom, eventjes word ik de goudvis. Vlak daarna vergeet ik wie ik ben en los op in het niets. Het is heerlijk om in zo’n soort poëtische staat van zijn terecht te komen. Soms hoef ik deze verandering in bewustzijn niet op te roepen, maar gebeurt het vanzelf. Voorbeeld: ik slaap in een eenpersoonsbed en zeg al heel het jaar voor het slapen tegen mezelf dat ik een groter bed wil. Er is genoeg ruimte voor een tweepersoonsbed in mijn kamer, maar dat vind ik weer te groot voor één persoon. Omdat ik onlangs ben afgestudeerd heb ik ineens vrije tijd, dus kon ik laatst eindelijk op mijn gemak googelen. Snel kwam ik het beddenformaat tegen dat al mijn wensen kon vervullen: de twijfelaar, voor anderhalve personen als ik. Alleen vond ik geen eentje mooi genoeg en gelóóf me, ik heb tientallen pagina’s bezocht. Tijdens mijn beddenonderzoek vergat ik waaruit ik bestond. Later dacht ik, was ik maar een vis, die hebben geen bed nodig.


    Momenteel bevind ik me ergens middenin ‘het leven voor’ en ‘het leven na’ de academie. Daartussen gebeurt alles en niets tegelijkertijd, een soort spanningsveld waardoor ik mezelf óf terugtrek óf uitdruk. Ik ben altijd al geïnteresseerd geweest in beide uiteinden van wat er allemaal is. Tussen twee tegenpolen ontstaat ruimte en daaruit vloeit op haar beurt bewegingsvrijheid. Hierom geniet ik zo van poëzie en kunst, waarin onderdelen die niets met elkaar te maken hebben in een geheel kunnen bestaan. Misschien is poëzie ook wel een dekmantel voor persoonlijke twijfels. Niets negatiefs daaraan, integendeel: zonder vertwijfeling ook geen verwondering.


    Ik blader door de pagina’s van de gedichtenbundel op mijn schoot tot ik weer eindig bij het begin. Het gedicht To the Harbormaster is een ontroerende zelfobservatie, waarin O’Hara heen en weer gaat tussen gevoel en verstand, een toestand die ik al te goed ken.

    I wanted to be sure to reach you;
    though my ship was on the way it got caught
    in some moorings. I am always tying up
    and then deciding to depart. In storms and
    at sunset, with the metallic coils of the tide
    around my fathomless arms, I am unable
    to understand the forms of my vanity
    or I am hard alee with my Polish rudder
    in my hand and the sun sinking. To
    you I offer my hull land the tattered cordage
    of my will. The terrible channels where
    the wind drives me against the brown lips
    of the reeds are not all behind me. Yet
    I trust the sanity of my vessel; and
    if it sinks, it may well be in answer
    to the reasoning of the eternal voices,
    the waves which have kept me from reaching you.

    (Meditations in an Emergency, 1967)



    21 augustus 2019